Close Menu

Grote zoete wateren

Landschapsecologische processen
In  de Friese meren kunnen veenverlandings-situaties voorkomen. Een deel van de oevergebieden wordt periodiek gemaaid of begraasd door grote grazers, waardoor voedselrijk riet sterk wordt teruggedrongen en nat en vochtig grasland in stand blijft. Plaatselijk zijn vaak zandbanken, strandjes, of zandige oeverwalletjes aanwezig. In de bredere oevergebieden kan dan door stagnerend water hier en daar onder mesotrofe condities enige veenvorming optreden. In de andere grote zoete wateren is geen sprake van veenvorming.

Fauna in het landschap

Het open water wordt bevolkt door diverse visgemeenschappen, waarvan de samenstelling wordt bepaald door factoren als waterdiepte, voedselrijkdom en begroeiing met waterplanten. Kenmerkende soorten zijn snoek, baars, snoekbaars, ruisvoorn, blankvoorn en brasem. Ook zijn de wateren van belang voor migrerende vissen zoals zalm, zeeforel, houting en aal. De afgesloten estuaria herbergen soms ingesloten populaties van vissoorten uit het tijdperk van het brakke water, zoals de spiering in het IJsselmeer. Hier is de spieringstand van groot belang voor de draagkracht van het systeem voor watervogels.

De grote zoete wateren hebben een belangrijke positie als doortrek- en overwinteringgebied voor watervogels. Door de schaal en de beschikbaarheid van voedsel kunnen internationaal belangrijke aantallen van bepaalde vogelsoorten voorkomen. Dit geldt voor zowel visetende watervogels (aalscholver, fuut, grote zaagbek, nonnetje, zwarte stern), bodemfauna-etende watervogels (toppereend, tafeleend, kuifeend, brilduiker) als plantenetende watervogels (bijvoorbeeld kleine zwaan, grauwe gans, pijlstaart, krakeend). De oevergebieden zijn van belang voor moerasvogels, zoals blauwe reiger en roerdomp, en in de rietmoerassen huizen zangvogels, zoals grote karekiet, baardmannetje en blauwborst.