Close Menu

Duin- en kustlandschap

Doorsnede

Dwarsdoorsnede van het Duin- en kustlandschap met ligging van beheertypen (klik op de pointers), hydrologie en gradiënten in het landschap.  © Oscar Langevoord / OBN (gebruik zonder toestemming niet toegestaan)

Water- en winddynamiek
Verreweg het belangrijkste proces dat een rol speelt bij de vorming en het functioneren van duinen is de dynamiek onder invloed van water en wind. Wanneer bij storm de begroeide duinvoet van de buitenste duinenrij wordt weggeslagen, ontstaat een kale zeereepklif waarop de wind makkelijk vat heeft. Windkuilen groeien dan uit tot hoefijzervormige microparaboolduinen, die zich kunnen losmaken van de buitenste duinenrij en dan landinwaarts bewegen. Daar kunnen zij uitgroeien tot macro- of zelfs megaparaboolduinen met soms wel een breedte van meer dan 1 kilometer. Aan de voorzijde van mobiele duinen, de ‘lijzijde', wordt de bestaande begroeiing, inclusief bossen, verzwolgen en aan de achterzijde, de ‘loefzijde' ontstaat telkens opnieuw een pioniermilieu. Dat is meestal een nat milieu, omdat een massieve verstuiving in ons land altijd tot aan het grondwater doorgaat.

Dit proces van enerzijds opbouw en anderzijds afbraak is nodig om de jonge stadia van het duinvormingsproces in het duingebied te behouden en er de grote ruimtelijke afwisseling niet te verliezen. Die afwisseling is zeer belangrijk voor veel diersoorten.

Successie
In de loop van de duinvorming vindt van nature een vegetatiesuccessie plaats, waarbij kaal zand begroeid raakt en er zich via een reeks van begroeiingsstadia gesloten bos kan vormen. De meest waardevolle stadia voor zowel flora als fauna zijn de jongere stadia van de successiereeks: embryonale duinen, helmduinen - ook wel aangeduid als witte duinen -  en de dun begroeide kruidenrijke gedeelten van grijze duinen en kalkrijke duinvalleien. De volgende stadia, duinheiden en duingraslanden, kunnen zich lange tijd handhaven. Enerzijds als gevolg van de invloed van zout en stuivend zand, anderzijds door maai- of begrazingsbeheer. Naarmate de successie voortschrijdt  onderscheidt zich de soortensamenstelling van de duingemeenschappen steeds minder van die in het binnenland. Omdat slechts weinig oude begroeiingsstadia onaangetast bewaard zijn gebleven is het onduidelijk in welke mate oude duinvalleien en duinbossen gekenmerkt worden door eigen soortcombinaties.

Verschillen in kalkgehalte: Renodunaal district en Waddendistrict
In het Nederlandse duin worden twee floradistricten onderscheiden: het kalkarme Waddendistrict in het noorden en het kalkrijke Renodunaal district in het zuiden. De grens tussen beide loopt door het Noord-Hollands Duinreservaat bij Bergen. Het zand waaruit de duinen in het Renodunaal district zijn gevormd is rijker aan kalkresten en mineralen zoals ijzer en magnesium. Dit is het gevolg van de aanvoer van mineraalrijk zand uit het Rijnsysteem en van een rijkere schelpenfauna met eenvoudig te vergruizen schelpen. Dit verschil in kalkgehalte en mineralenrijkdom in de beide districten heeft veel invloed op de successie. Niet alleen komen er andere soorten voor in duinlandschappen met een verschillend kalk- en mineralengehalte, ook de vegetatiestructuur is anders. In kalkrijke duinen vindt veel eerder struweelvorming plaats dan in kalkarme duinen. De verschillen in kalkgehalte, plantensamenstelling en vegetatiestructuur hebben uiteraard ook grote invloed op de samenstelling van de fauna.

De zoetwaterbel onder het duin
Zout zeewater, dat zwaarder is dan zoetwater, dringt ver landinwaarts door in de ondergrond. Dankzij het neerslagoverschot en wegzijging van regenwater in de zandbodem vormt zich in het duinsysteem een bolvormige ‘zoetwaterbel' of ‘lens', die als het ware op de zilte onderlaag drijft. Voor alle natuurlijke of nagenoeg natuurlijke natte duinlandschappen is deze zoetwaterbel essentieel. Doordat de bel afhankelijk is van het neerslagoverschot, krimpt deze in de zomer enigszins en zet in de winter weer uit. In een natuurlijke situatie treedt in de centraal gelegen duingebieden een wisselende waterstand op, terwijl aan de randen van de duinsystemen, bij een vrij stabiele waterstand, permanent water weglekt via kwel of via duinbeekjes. Naarmate het duin breder is, bolt deze bel sterker op en wordt het zilte water ook dieper weggedrukt in de ondergrond. Bij een smaller en lager duingebied is de zoetwatervoorraad kleiner en daardoor gevoeliger voor verstoringen in de waterhuishouding. In een aangroeiend duin zal de grondwaterwaterstand stijgen en dan kunnen duinvalleien veranderen in duinmeren. In een duingebied dat smaller wordt, bijvoorbeeld door kustafslag, zal juist verdroging van natte systemen optreden.

Overgangen naar kwelders aan de duinvoet
In een natuurlijk duin zijn vrijwel altijd gaten aanwezig in de buitenste duinenrij. In die bijzondere gevallen waar de achterliggende duinvalleien niet veel hoger liggen dan het strand en de zee af en toe door die gaten heen stroomt, vormen zich achter de gaten overstromingsvlakten die onder invloed staan van zout water. Ons land kende vroeger overstromingsvlakten van heel verschillend formaat; de omvang varieerde van enkele vierkante meters tot de omvang van de vroegere Zuiderzee. In de grote systemen was plaats voor uitgestrekte kwelders, zeegrasvelden en begroeiingen van brakke wateren. De grote overstromingsvlakten zijn gekrompen door ingrepen zoals bedijkingen. Maar ook de hele kleine overstromingsvlakten kunnen een zeer bijzondere overgang van zout naar zoet ontwikkelen. We kennen diverse plantengemeenschappen die alleen voorkomen aan de duinvoet op de overgang naar kwelders. Hier vindt enerzijds toestroming van zoet en vaak ijzerhoudend grondwater plaats en anderzijds incidentele overstroming met zeewater.

Fauna in het landschap

In het Duin- en Kustlandschap zijn veel diersorten gebonden aan een specifiek deel van de duinen. Zo is een klein aantal diersoorten gebonden aan helm als voedselplant, zoals de rupsen van de helmgrasuil, de mot Apatetris kinkerella, de dwergcicade Psammotettix maritimus, en de bladluizensoort Schizaphis rufula. Voor veel andere diersoorten die ook van andere grassen kunnen leven, vormt helm niettemin een belangrijke voedselbron, zoals veel soorten kevers.
De overgangszone tussen witte en grijze duinen is het belangrijkste leefgebied van de duinsabelsprinkhaan.

Intacte grijze duinen kennen een zeer rijke fauna: de afwisseling van kale en begroeide plekken, vegetatiestructuur, bodemontwikkeling en bloemrijkdom maakt dat veel diersoorten hier een geschikte leefomgeving vinden. Enkele van de karakteristieke diersoorten zijn in Nederland inmiddels uitgestorven, zoals de griel en het duingentiaanblauwtje. Karakteristieke diersoorten die momenteel in de grijze duinen leven zijn onder andere tapuit, blauwvleugelsprinkhaan en veel soorten bijen, wespen en loopkevers. Voorbeelden van vlinders zijn de kleine parelmoervlinder, grote parelmoervlinder en duinparelmoervlinder. Deze vlinders zijn allemaal als rups afhankelijk van viooltjes.