Close Menu

Beekdallandschap

Versnippering van beekdalbeheer
De beek heeft in de loop van de tijd een belangrijke functie gekregen in de afvoer en soms ook aanvoer van water. De eisen die voortkomen uit deze functies zijn op veel plaatsen in het beekdal leidend geworden. Deze eisen zijn vaak moeilijk in evenwicht te brengen met de eisen die de natuur, vaak op andere plaatsen, aan beken en beekdalen stelt.
Het beekwater bestaat tegenwoordig voor een groot deel uit water uit rioolwaterzuiveringsinstallaties. In veel beken is de instroming van water uit de rioolwaterzuiveringsinstallaties, het enige dat voorkomt dat ze in droge periodes droogvallen. Hoewel niet van de gewenste kwaliteit, is de aanvoer van dit water vaak cruciaal ook voor natuurwaarden

Verdroging en gebrek aan dynamiek
Ten behoeve van afvoer en “normalisatie” is de morfologie van de meeste beken sterk aangetast door vergraving en door kunstwerken; meestal gingen de aantastingen gepaard met een verlaging van het waterpeil. Waar beken niet zijn genormaliseerd, zijn de beken toch dieper ingesneden als gevolg van bovenstroomse ontwatering. Wanneer dan piekafvoeren voorkomen treden zeer hoge stroomsnelheden op met als gevolg erosie van de beekbodem. Dit proces in zijn geheel leidt tot verdroging van het aangrenzende beekdal. Het is een zichzelf versterkend proces dat nu op grote schaal voorkomt in de meer natuurlijke/waardevolle beeksystemen. Door de sterke verandering van het afvoerregime is ook de dynamiek van het bodemvormende proces in de beek, de uitsortering van fijnkorrelige bodems en grove grindbanken, aanzienlijk veranderd.

Gedaalde grondwaterstanden in de beekdalen zijn vaak het gevold van diepe ontwatering van omliggende landbouwgebieden, zowel in de intrekgebieden als op de beekdalflanken. Daarnaast vindt soms waterwinning voor drinkwater of industrie plaats. De hiervoor genoemde diepe insnijding van de beek zorgt daarnaast voor een sterkere ontwatering door de beek zelf. 
Een verlaging van het grondwaterpeil beïnvloedt de voedselrijkdom en zuurgraad, doordat het zorgt voor een grotere invloed van regenwater in de wortelzone. Een laag zuur regenwater ligt bovenop het basenrijke grondwater.

Vermesting
De waterkwaliteit in de meeste beken is matig tot slecht als gevolg van de toevoer van met nitraat en/of sulfaat, direct en indirect, verontreinigd oppervlakte- en grondwater vanuit het beekdal en de intrekgebieden eromheen. Bij piekafvoeren wordt veel fosfaatrijk slib opgewerveld van de bodems van waterlopen. Bij overstroming kan slibafzetting leiden tot vermesting van daar gelegen broekbossen, moearasvegetaties en schraalgraslanden.

Veel kwelzones in beekdalen worden met nutriënten verrijkt grondwater gevoed als gevolg van toevoer van nitraat en sulfaat in het intrekgebied. Deze stoffen spoelen uit in het intrekgebied door bemesting en atmosferische depositie. Kwelzones die gevoed worden door kleine grondwatersystemen met een korte verblijftijd worden al belast met vervuild grondwater. In geval van grotere grondwatersystemen met lange verblijftijden is de vervuiling nog onderweg. Nitraat kan in de ondergrond worden afgebroken, wat vaak leidt tot verhoogde sulfaatconcentraties in het toestromende grondwater. Veel kwelzones hebben daardoor te kampen met een sulfaatprobleem. Hogere stofconcentraties en kwelfluxen kunnen in kwelzones zorgen voor zeer hoge stoffluxen van nitraat en sulfaat. Beide stoffen hebben op korte of langere termijn nadelige effecten op de standplaatscondities van kwelafhankelijke natuurtypen, zoals broekmossen, moerassen en schraalgraslanden, door verhoogde afbraak van organische stof en eutrofiering. Hoe en wanneer die effecten uitpakken, hangt af van de chemische samenstelling van het toestromende grondwater, de stoffluxen en de geochemie van de bodem in kwelzones. Sterke afbraak van organische stof kan ook veenvorming belemmeren. De aanvoer van veel sulfaat kan leiden tot accumulatie van sulfiden in de bodem van kwelzones. In droge perioden met een lange grondwaterstand kan door oxidatie van deze sulfiden extreme verzuring optreden (‘zuurbom’)

Alle beekdalen zijn daarnaast belast door hoge atmosferische deposities van stikstof en zwavel. Vooral natte schraalgraslanden, kalkmoerassen en trilveenvegetaties kunnen gevoelig zijn voor de actuele stikstofdeposities. Daarnaast lijkt het erop dat de vroegere deposities van zure stoffen, in combinatie met verdroging, in sommige gebieden hebben geleid tot o.a. een aanzienlijke vermindering van de ijzervoorraad. De bufferende werking van ijzer, die o.a. dient om fosfaat vast te leggen, kan daardoor sterk zijn aangetast. Hoge zwaveldepositie in het verleden kan geleid hebben tot sterke accumulatie van sulfiden in natte bodems. In droge perioden kan dat zorgen voor bovengenoemd ‘zuurbom’ effect.

Kans: Vasthouden en bergen van water
Vasthouden en bergen van water zijn nodig om droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering tegen te gaan. Vasthouden van water in bovenstroomse gebieden is de meest effectieve manier om verdroging tegen te gaan en tegelijkertijd piekafvoeren te verminderen. Door de gegraven waterlopen bovenstrooms te dempen wordt het water langer vastgehouden in de bodem en in natte laagtes en treden bij piekbuien minder piekafvoeren op. De natuur profiteert van dit herstel van het oorspronkelijke watersysteem doordat verdroging teniet wordt gedaan en weer natte heiden, vennen, broekbossen en doorstroommoerassen ontstaan op plekken die in het verleden zijn ontwaterd. 

Water vasthouden is niet altijd voldoende om wateroverlast door piekafvoeren tegen te gaan. Als ‘second best’ oplossing kan dan in benedenstroomse gebieden gebruik worden gemaakt van berging in laaggelegen delen van het beekdal. In hoeverre dit gunstig is voor de natuur hangt sterk af van de inrichting van de waterbergingsgebieden. In grote gebieden kan de berging van water bijdragen aan de biodiversiteit door het ontstaan van gradiënten in dynamiek en voedselrijkdom. Wanneer te veel water wordt geborgen in te kleine gebieden zijn de mogelijkheden voor natuurontwikkeling gering als gevolg van de hoge dynamiek en de grote nutriëntenaanvoer.

Ook zonder forse ingrepen is soms al veel winst te behalen. Alleen al minder maaien van vegetaties in beken kan leiden tot het langer vasthouden van water en het vertragen van de afvoer, waarbij meer voedingsstoffen omgezet of opgenomen kunnen worden in de vegetatie.

Kans of bedreiging: Programmatische Aanpak Stikstof
Kern van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is dat landbouw, verkeer en industrie de ruimte krijgen om meer stikstof uit te stoten rondom Natura 2000-gebieden in ruil voor extra maatregelen in die natuurgebieden om de negatieve effecten van de stikstofemissies te niet te doen. Belangrijkste maatregel in de PAS is het herstel van de hydrologie. Gedachte hierachter is dat een hydrologisch hersteld gebied robuuster is, meer veerkracht heeft en dus meer stikstof kan verdragen.

Het OBN Deskundigenteam Beekdallandschap juicht maatregelen om de hydrologie van beekdallandschappen te herstellen toe. Voor hydrologisch herstel is het belangrijk om de landschapsecologische samenhang en de bijbehorende gradiënten op landschapschaal in beeld te brengen. Het blijkt dat in niet alle beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden daar echt aandacht voor is. Ook is niet altijd voldoende aandacht voor de grondwaterkwaliteit. Als gevolg van herstelmaatregelen kan bijvoorbeeld ook meer nitraat binnenkomen via het grondwater. Daar staat tegenover dat meer water leidt tot meer denitrificatie waardoor stikstof uit het systeem verdwijnt.

Het herstel van de hydrologie kan bestaan uit het afgraven van de eutrofe bouwvoor zodat het grondwater dichter aan het oppervlakte komt. Te diep afgraven echter kan de grondwaterstroming zodanig beïnvloeden dat elders in het beekdal natuurwaarden afnemen.

Kans: CO2-opslag en natuurontwikkeling
Als gevolg van verdroging en bemesting vindt in de veenweiden veenafbraak plaats. Venen functioneren dan niet meer als een koolstofopslag, maar als een koolstofbron. De veenafbraak leidt tot bodemdaling, slechte waterkwaliteit en uitstoot van broeikasgassen. De afbraak van veen is te stoppen door de waterstanden te verhogen en te stoppen met bekalking en bemesting. Voor het op gang komen van veenvorming zijn optimale hydrologische omstandigheden nodig. Tijdens het groeiseizoen mag het grondwaterpeil niet te ver wegzakken of te ver stijgen. Het beste is een relatief stabiel peil met maximaal 30 cm fluctuatie. Hiervoor zullen meestal vernattingsmaatregelen nodig zijn.

Kans: Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) is primair gericht op de waterkwaliteit in de beek zelf waarbij de macrofauna, waterplanten en vissen de belangrijkste doelen en indicatoren zijn. De doelen van de KRW hebben een nauwe relatie met het gehele beekdallandschap. Het OBN Deskundigenteam Beekdallandschap denkt dat herstel en ontwikkeling van een beekdallandschap goed samen kan gaan met het werken aan de KRW-doelen: als het landschap op orde is (wat helaas lang niet overal mogelijk is), zal het in grote lijnen ook goed komen met de morfologie en de biologische parameters van de KRW. Andersom is dat lang niet altijd het geval: laten meanderen van de waterloop is geen garantie voor herstel van flora en fauna. En de aanleg van een vistrap betekent niet dat het ecosysteem zich zal herstellen. Met alleen baggeren van de waterloop zal de beoogde macrofauna niet terugkeren. Alleen door te werken aan systeemherstel zullen de maatregelen effectief en vooral ook duurzaam zijn.