Close Menu

Deskundigenteam Rivierenlandschap

Klimaateffecten in het rivierengebied

Probleemstelling: Het klimaat verandert. In Nederland wordt het warmer, droger en het neerslagpatroon wordt extremer. De effecten in het rivierengebied zijn onder meer: zeespiegelstijging, langere perioden met zeer lage afvoer, extreme afvoerpieken in de winter en hogere watertemperatuur.  Hierdoor verschuiven zoet-zout gradiënten, vallen oevers en nevenwateren langer en vaker droog en neemt de waterkwaliteit af. Periodieke hoogwaterevents zullen extremer worden en het riviersysteem periodiek ‘op zijn kop zetten’.  Nederland bereidt zich voor op deze veranderingen. Het Deltaplan Zoetwater (zie 2.2) bereidt maatregelen voor waarmee de zoetwatervoorziening van Nederland veiliggesteld wordt. Hierbij is het belangrijk dat ook de ecologische waarden meegewogen worden. Zowel bij het ontwerpen van maatregelen om klimaateffecten te mitigeren als bij het duiden van de ecologische impact van mitigerende maatregelen die genomen worden om andere functies te borgen. De basis voor de ecologische impact zijn de ecosysteemfuncties, processen en biodiversiteit. Het is dan ook van belang de ecologische aspecten van klimaatverandering voor het rivierengebied duidelijk in beeld te krijgen voor een volwaardige inbreng in de studies, werksessies en beslissingen de komende jaren.

Beleidscontext: De Deltabeslissing Zoetwater en het bijbehorend Deltaplan Zoetwater moeten er aan bijdragen dat Nederland ook in de toekomst in drogere perioden over voldoende zoetwater beschikt, onder meer voor een aantrekkelijke leefomgeving, drinkwaterwinning, natuur, landbouw en een sterke economische positie. Verspreid over Nederland zijn in dit kader maatregelen voor zuinig gebruik, vasthouden, bergen en aanvoeren van zoetwater in uitvoering. Voor de periode 2022 tot en met 2027 is een nieuw maatregelprogramma in voorbereiding. Hierbij wordt ook rekening gehouden met rivierecologische functies die in beleidskaders zijn vastgelegd, zoals de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000. Zie nadere duiding van de andere in dit kader belangrijke programma’s zoals PAGW, het hoogwaterbeschermingsprogramma en het Integraal Riviermanagement onder paragraaf 1.4.

Doel van het onderzoek: Het doel van dit onderzoek is drieledig:

  • Het in beeld brengen van te verwachten effecten van klimaatverandering op de huidige natuurwaarden in het rivierengebied ,
  • Het in beeld brengen van de mogelijkheden om deze effecten te mitigeren, zodat terreinbeheerders met deze informatie hun natuurdoelen en -opgaven, indien nodig, kunnen aanpassen of veranderen (adapt of transform).

Overkoepelend doel is om beheerders, plannenmakers en beleidsmakers betere instrumenten en kennisonderbouwing mee te geven voor het opstellen van de juiste eisen/wensen in beheerplannen, (integrale) inrichtingsprojecten en beleidsprogramma’s.

 

Diepe uiterwaardplassen: verondiepen of niet? Visie vanuit ecologisch perspectief

Het belangrijkste product in dit onderzoek is een afwegingskader op basis van ecologische criteria, waarmee terreinbeheerders kunnen inschatten of een verondieping vanuit ecologisch perspectief een goed idee is.

Meer info over dit onderzoek zie hier.

Probleemstelling: Er zijn momenteel veel initiatieven om diepe plassen in uiterwaarden te verondiepen, meestal als combinatieproject van grondberging en natuurontwikkeling. Voor terreineigenaren biedt dit een mogelijkheid om kostenefficiënt natuur te ontwikkelen. Terreinbeheerders geven daarbij aan dat zij graag willen beschikken over goed onderbouwde ecologische criteria om een afweging te kunnen maken tussen wel of niet verondiepen. Het verondiepen van uiterwaardplassen moet immers zorgvuldig afgewogen en ontworpen worden. Kortom: wanneer levert verondiepen ecologische meerwaarde op en wanneer is het beter de bestaande situatie met de aanwezige natuurwaarden te handhaven?

Aard van het onderzoek: Het gaat om het faciliteren van de ecologische afwegingen voor verondieping. Daarbij is sprake van literatuuronderzoek, bemonstering van een aantal uiterwaardplassen en als product wordt een afwegingskader gemaakt dat helpt bij de beslissing wel of niet te verondiepen.  

 

Overstromingsvlakten in het rivierengebied

Dit onderzoek gaat in op de rol van de overstromingsvlakte in het (natuurlijke) rivierecosysteem, hydrologische en morfologische kenmerken van natte overstromingsvlakten, kenmerkende soorten en het voedselweb. De natte overstromingsvlakten zijn een belangrijke ‘missing link’ in het Nederlandse rivierecosysteem. Een gemaakte kansenanalyse geeft aan waar in Nederland herstel of ontwikkeling van tijdelijke overstromingsvlakten realistisch is op basis van systeem- en riviertrajectkenmerken. Bovendien is beschreven welke beheer- en inrichtingsmaatregelen hiervoor dan nodig zijn.

Probleemstelling: Natuurlijk functionerende natte overstromingsvlakten ontbreken vrijwel geheel in het sterk gereguleerde Nederlandse riviersysteem. Er zijn echter wel mogelijkheden om delen van het rivierengebied zodanig in te richten en het waterpeil te beheren, dat ze ecologisch functioneren als een periodieke overstromingsvlakte. Waar uit de smalle, bedijkte Nederlandse uiterwaarden water na een hoogwater snel wordt afgevoerd, zakt dit in natuurlijke brede overstromingsvlaktes zeer langzaam uit. De grote oppervlaktes van tijdelijke wateren vormen enkele maanden een belangrijk leefgebied voor veel diersoorten.

Aard onderzoek: In deze studie is literatuuronderzoek verricht naar het ecologisch functioneren van tijdelijke natte overstromingsvlakten die van oorsprong op grote schaal voorkwamen in het Nederlandse rivierengebied. Als aanvulling op het literatuuronderzoek is in het voorjaar van 2020 een veldonderzoek uitgevoerd in de overstromingsvlakte van Buiten Ooij bij Nijmegen.

Kaartmateriaal dat in deze studie is ontwikkeld vindt u onder het tabblad 'kaartmateriaal ecologische systeemherstel riviertakken'

In Trouw verscheen juni 2020 een artikel over het onderzoek.

 

Strategieën en Afwegingskader voor de ontwikkeling en het beheer van Ooibossen in het winterbed van de rivieren (afwegingstool)

Het doel van het onderzoek is het vervaardigen van een beheer- en ontwikkelstrategie (op niveau van de riviertakken) en een afwegingskader (op niveau van uiterwaarden) voor het realiseren van hardhout- en zachthoutooibos in het winterbed van de Rijntakken en langs de Maas om daarmee wat betreft de Rijntakken invulling te geven aan de doelen uit het N2000 beheerplan Rijntakken voor uitbreiding en kwaliteitsverbetering van ooibos.

Probleemstelling: Ooibos zijn deels bedreigde habitattypen (H 91F0; H 91E0A en H 91E0B). Vanuit Natura 2000 geldt voor ooibossen een opgave voor kwaliteitsverbetering en uitbreiding. Het ontwerpbeheerplan Natura 2000 Rijntakken geeft op kaarten kerngebieden van zacht- en hardhouthoutooibos langs de verschillende riviertakken aan. Een geopperde strategie van oppervlakte-uitbreiding en kwaliteitsverbetering van zacht- en hardhoutooibos is het verplaatsen van de over het algemeen kleine bosjes in de stroombaan, naar grote, geschikte locaties buiten de stroombaan. Doel is om bossen te ontwikkelen die ongestoord oud kunnen worden. Om in deze beleidsmatige opgave de juiste keuzes te maken is een beter overzicht nodig van de ecologische voorwaarden waaronder ooibos in de uiterwaarden kan ontwikkelen (ook in nieuwe, vergraven uiterwaardgebieden).

Aard van het onderzoek: Het onderzoek zal in belangrijke mate bestaande kennis monteren tot voor beheerders en inrichters handzame uitgangspunten.

 

Herstel en ontwikkeling van kwelmilieus langs de Terrassenmaas

Dit onderzoek had tot doel locaties, ecologie en randvoorwaarden voor herstel en aanleg van kwelmilieus op de maasterrassen in beeld te brengen, binnen overstromingsinvloeden van de Terrassenmaas. Dit heeft geleid tot nieuwe kennis over het functioneren, de ecologie en de herstelmogelijkheden van deze kwelgeulen en kwellaagtes.

Probleemstelling: In het rivierengebied is weinig aandacht voor kwelmilieus terwijl ze tot de meest bijzondere en meest zeldzame ecosystemen van onze rivierdalen behoren. Dit onderzoek focust op kwelmilieus die gevoed worden door (lang) grondwater vanuit de Maasterrassen. Urgentie is aanwezig omdat vanuit het bedrijfsleven op verschillende locaties plannen voor grootschalige ontzanding worden voorbereid, die ook onderdeel kunnen worden van het Deltaprogramma. Deze plannen houden veel minder rekening met de aard van het terrassenlandschap, en worden zo aangelegd dat het herstel van het oude (kwel)geulenlandschap definitief onmogelijk wordt.

Aard onderzoek: Door middel van systeemonderzoek in een aantal locaties langs de Terrassenmaas zijn de volgende zaken in beeld gebracht: inzicht is de voorkomende typen kwelnatuur, inrichtingsprincipes voor kwelgeulen in overstromingsvlakten, laagterras en middenterras en kaartmateriaal met potentiele kansen voor kwelmilieus. 

Kaartmateriaal dat in deze studie is ontwikkeld vindt u onder het tabblad 'kaartmateriaal ecologische systeemherstel riviertakken'

 

Herstel en ontwikkeling van laag-dynamische, aquatische systemen in het rivierengebied

In dit onderzoek zijn de potenties voor laag-dynamische natuur in het rivierengebied onderzocht. Het omvat zowel de actuele als potentiële laag-dynamische natuur in binnendijkse en buitendijkse gebieden, i.e. in het winterbed en in potentiële uitbreidingen van de overstromingsvlakte van de grote rivieren.

Probleemstelling: In het In het rivierengebied is in de recente decennia de aandacht vooral uitgegaan naar de ontwikkeling van hoog-dynamische natuur, zoals meestromende eenzijdig of tweezijdig aangetakte nevengeulen. Laag-dynamische natuur, zoals rietmoerassen en oude, verlandende nevengeulen met o.a. krabbenscheer, zijn zeldzaam in het Nederlandse rivierengebied. Laag-dynamische, aquatische systemen in uiterwaarden zijn onmisbaar in een goed functionerend riviersysteem: ze zijn van belang voor het goed functioneren van natuurlijke overstromingsvlaktes (bijv. als kraamkamer voor allerlei organismen) en daarmee voor het behalen van de Natura 2000 doelstellingen. Vanuit verschillende beleidskaders ligt er een specifieke vraag voor de uitbreiding en kwaliteitsverbetering van laag-dynamische aquatische systemen in het rivierengebied in Nederland.

Aard onderzoek: Onderzoek is verricht naar verschillende organismengroepen: macrofauna, vissen, amfibieën, reptielen en waterplanten. Van alle genoemde organismengroepen zijn historische en recente verspreidingsgegevens bijeengebracht. Voor macrofauna is experimenteel onderzoek verricht. Dit experimentele onderzoek had als doel om sturende factoren voor macrofauna te bepalen. Alle gegevens zijn via GIS verwerkt en worden in dit rapport gepresenteerd in de vorm van kansenkaarten, waarop de potenties voor laag-dynamische natuur in het rivierengebied worden weergegeven.

Kaartmateriaal dat in deze studie is ontwikkeld vindt u onder het tabblad 'kaartmateriaal ecologische systeemherstel riviertakken'

 

Zandafzetting, standplaats, beheer en botanische kwaliteit van Stroomdalgrasland

Droog stroomdalgrasland(oeverwal of rivierduingrasland) is zeer karakteristiek voor het rivierengebied en oppervlak en kwaliteit zijn sterk achteruitgegaan. Van de syntaxonomische positie en precieze distributie van de Nederlandse stroomdalgraslanden in vergelijking met zandige graslanden in omliggende landen is nog onvoldoende bekend. Dit onderzoek geeft een overzicht van de ecologie en biogeografie van stroomdalgraslandsoorten en onderzoekt de omstandigheden waaronder een aantal stroomdalgraslandsoorten zich hebben uitgebreid.

Probleemstelling: Droge stroomdalgraslanden kwamen vóór 1960 vrijwel overal langs de grote rivieren voor en zijn daarna uit 83-84% van de kilometerhokken verdwenen. Lokaal vindt langs de rivieren op voormalig landbouwgrond, na herinrichting en natuurontwikkeling, (her)vestiging plaats van soorten. De meeste stroomdalgraslandsoorten laten echter geen tot matige uitbreiding zien.

Aard onderzoek: Om de recente sedimentatiegeschiedenis van de rivierduinen met goed ontwikkeld stroomdalgrasland te bepalen zijn ongestoorde boorkernen genomen uit een aantal rivierduinen. Van een aantal stroomdalgraslandsoorten van het Sedo-Cerastion is de tolerantie voor overzanding onderzocht. Er zijn zandproeven gedaan met Duinriet om te kijken of deze soort door een zanddikte van 50cm kan groeien. Daaruit blijkt dat zandafzetting langs de rivier niet ervoor kan zorgen dat Duinriet langere tijd wordt onderdrukt en kan dus niet als maatregel worden gebruikt om een onvoldoende graasdruk te compenseren. Voor het behoud van specifieke stroomdalgraslandplanten zijn echter ook laagdynamische droge groeiplaatsen nodig. Laagblijvende planten, en plantensoorten die behoren tot de meer gesloten graslanden van het Sedo-Cerastion kunnen schade ondervinden van te veel dynamiek (zandafzetting/erosie).

 

Grote grazers voor veiligheid en natuur in rivieruiterwaarden. Fase 1 Analyse bestaande gegevens

In dit onderzoek is onderzocht hoe  begrazing het beste ingezet kan worden om de natuur-en veiligheidsdoelen in het rivierengebied in goede samenhang te realiseren. Deze rapportage omvat fase 1 waarin bestaande kennis verzameld is en een eerste analyse is uitgevoerd om deze vraag te kunnen beantwoorden.

Probleemstelling: Door de grotere weersextremen worden naar verwachting de hoogwaterstanden in de Nederlandse rivieren steeds hoger. Daarom laat Rijkswaterstaat in het kader van het project Stroomlijn de begroeiing in de uiterwaarden aanpassen om de doorstroming en daarmee de beoogde veiligheid te kunnen garanderen. Een belangrijke vraag hierbij is of de beheerders van natuurgebieden in de uiterwaarden aan deze voorwaarden kunnen voldoen zonder tegelijkertijd een negatief effect op bestaande natuurwaarden te veroorzaken. En daarnaast of begrazing een geschikt beheerinstrument is om de gewenste potentiële waterafvoer te garanderen en tegelijkertijd de nagestreefde natuurwaarden te realiseren.

Aard onderzoek: Er is gekeken naar de effecten van de verschillende beheermaatregelen die door beheerders worden gehanteerd om gestelde natuur- en veiligheidsdoelstellingen te halen. Deze beheermaatregelen bestaan voornamelijk uit de inzet van begrazing (seizoens- of jaarrond) en maaien. U leest in dit rapport hoe de verschillende beheermaatregelen effect hebben op kwaliteit en ruwheid van de vegetatie en (in mindere mate) op fauna.

 

Herstel en ontwikkeling van hardhoutooibossen

Het huidige areaal hardhoutooibos in Nederland is erg klein en bijna verwaarloosbaar ten opzichte van het veel algemenere zachthoutooibos. Doel van het onderzoek is een abiotisch en ecologisch onderbouwd overzicht van groeiplaatsen en gebieden met optimale kansen voor de ontwikkeling van droge en natte hardhoutooibossen met een hoge natuurkwaliteit.

Probleemstelling: Hardhoutooibos is een verzamelnaam voor alle niet door wilgen of zwarte populier gedomineerde bostypen van het buitendijkse, periodiek door het rivierwater overstroomde deel van het rivierengebied. Areaalvergroting heeft een hoge prioriteit en aanplant op de juiste groeiplaatsen lijkt een snel en effectief middel om dit doel te bereiken. De praktische invulling hiervan (waar, hoe en met welke boomsoorten?) roept echter veel vragen op. In Nederland zijn geen goede referenties aanwezig; buitenlandse ooibossen verschillen in substraat, verval en dynamiek van overstroming. Ook de historische referenties voor ‘natuurlijk’ ooibos staan ter discussie. Daarbij zijn er ook onzekerheden ten aanzien van de toekomstige boomsoortsamenstelling (ten gevolge van meeldauw, iepenziekte en essentaksterfte) en de natuurlijke positie van de verschillende bostypen in de hoogtezonering. Tenslotte zullen lange-termijn bodemprocessen de verschillende groeiplaatsen geleidelijk veranderen.

Aard onderzoek: Doel van het onderzoek is een abiotisch en ecologisch onderbouwd overzicht van groeiplaatsen en gebieden met optimale kansen voor de ontwikkeling van droge en natte hardhoutooibossen met een hoge natuurkwaliteit. Dit overzicht wordt ruimtelijk uitgewerkt op het niveau van riviertrajecten. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan (1) de mogelijkheden voor het herstel en de ontwikkeling van kwalitatief goede hardhoutooibossen vanuit landbouwgrond en vanuit uniform bos met een dominantie van ruigtesoorten, en (2) het hiervoor gewenste beheer.

 

Fauna in het rivierengebied. Knelpunten en mogelijkheden voor herstel van terrestrische en amfibische fauna

Doel van deze studie was om een analyse te maken van de belangrijkste knelpunten voor karakteristieke terrestrische en amfibische fauna in het rivierengebied en de mogelijkheden te verkennen voor het opheffen van deze knelpunten binnen de huidige randvoorwaarden van het Nederlandse rivierengebied.

Probleemstelling: Door klimaatverandering worden de verwachte extremen in waterafvoer in het rivierengebied groter. In het programma ‘Ruimte voor de Rivier’ zullen maatregelen genomen worden om hoogwaterpieken als gevolg van weersextremen goed op te kunnen vangen. In het ‘Deltaprogramma Rivieren’ wordt in 2013 een voorkeursstrategie bepaald op welke wijze de hydraulische opgave zal worden uitgevoerd. De manier waarop rivierverruiming dan wel dijkverzwaring wordt uitgevoerd is sterk bepalend voor de natuurwaarde en ecologisch rendement in het rivierengebied. Vanuit het natuurbeheer en -beleid is er dan ook een grote behoefte aan adviezen voor inrichting en beheer om binnen de huidige randvoorwaarden van het Nederlandse rivierengebied de aanwezigheid van habitats, karakteristieke soorten en een hoge biodiversiteit te herstellen en behouden.

Aard onderzoek: In deze studie is een lijst opgesteld van 120 karakteristieke soorten voor het rivierengebied, zowel ongewervelden als gewervelden. Dit zijn soorten die op meer of mindere wijze gebonden zijn aan het rivierengebied. De periodieke maar onvoorspelbare overstroming van uiterwaarden werkt op twee manieren door op de fauna: 1) het bepaalt welke variatie aan habitats aanwezig is, 2) een soort moet een overstroming kunnen overleven op populatieniveau. Aan de hand van de ecologische eigenschappen en vereisten kan per soortbeschreven worden op welke wijze deze is gebonden aan de condities en processen in het riviersysteem.