Close Menu

Deskundigenteam Nat zandlandschap

Preadvies aantasting en beheer van voedselkwaliteit

Probleemstelling: Uit recent gepubliceerd onderzoek blijkt dat een goede voedselkwaliteit van groot belang is voor een gezonde levensgemeenschap. Onder voedselkwaliteit verstaan we de chemische samenstelling van voedsel dat dieren in de natuur tot zich nemen. Beheer en beleid onderkennen dat aantasting van voedselkwaliteit een belangrijk probleem is. Echter, de onderliggende mechanismen zijn nog maar slecht bekend, de omvang van het probleem (gevoelige landschappen, habitattypen en soorten) is niet bekend en passende herstelmaatregelen ontbreken. Een landschapoverstijgend preadvies is nodig om toekomstig onderzoek aan voedselkwaliteit te voorzien van een kader van hypothesen over onderliggende mechanismen en verwachtingen over de meest gevoelige soorten en habitattypen. Daarmee kan de weg worden gewezen voor de ontwikkeling van effectieve herstelstrategieën en -maatregelen. 

Beleidscontext: Een onbekend (maar vermoedelijk groot) aantal diersoorten van de Habitat- en Vogelrichtlijn ondervindt problemen van een onvoldoende kwaliteit van hun voedsel. Inzicht in de mechanismen waarop N-depositie en verzuring leiden tot bottlenecks in voedselkwaliteit is daarmee van belang voor de ontwikkeling van herstelmaatregelen en -strategieën in een groot deel van de Nederlandse Natura2000-gebieden.

Doel van het onderzoek: Het preadvies geeft een overzicht van de processen, die van invloed zijn op voedselkwaliteit. Deze worden gerelateerd aan natuurlijke omgevingsfactoren enerzijds en antropogene beïnvloeding (stikstofdepositie, verzuring en beheer) anderzijds. Hieruit volgt inzicht in gevoeligheid van landschappen, habitattypen en soorten voor achteruitgang van voedselkwaliteit. Daarnaast geeft het preadvies een overzicht van de meest urgente kennisvragen en waar mogelijk al richting aan maatregelen voor herstel van voedselkwaliteit. 

 

Maatregelen ter versnelling van de acrotelmontwikkeling

Probleemstelling: Hoogveenherstel begint bij het herstel van de hydrologische randvoorwaarden. Voor de hydrologische zelfregulatie van een actief hoogveen is een goed functionerende acrotelm, bestaande uit licht verteerde en levende bultvormende veenmossoorten, essentieel. Een goed functionerende acrotelm dempt de waterpeilfluctuaties en beschermt het hoogveen tegen uitdrogen. Dit is een randvoorwaarde voor veel karakteristieke hoogveenflora en -fauna. Herstel van de hydrologische randvoorwaarden in hoogveenrestanten heeft tot nu toe geleid tot ca. 7 hectare waar de acrotelmontwikkeling op gang is gekomen. Tegelijkertijd zijn er ook vele hectaren waar de groei van bultvormende veenmossen en daarmee ook de acrotelmontwikkeling niet op gang komt of niet door zet, ondanks het creëren van gunstige hydrologische uitgangssituaties. Om de Natura 2000 doelstellingen te halen dient verdere acrotelm-uitbreiding gestimuleerd te worden.

Er doen zich twee knelpunten voor: I. De veenmosontwikkeling komt in het geheel niet op gang. Bij diepe inundatie in grote compartimenten met lage CO2 spanning kan waterveenmos zich niet vestigen. Bij plas-dras vernatting droogt het veenoppervlak teveel uit, zodat directe vestiging van bultvormers bemoeilijkt wordt. II. De veenmosontwikkeling komt op gang, maar blijft steken in een fase met Fraai veenmos (Sphagnum fallax). De successie naar bultvormende soorten, zoals Sphagnum magellanicum en Sphagnum papillosum, wordt belemmerd door competitie en/of vestigingsproblemen. Op het moment ontbreekt de kennis over welke praktische maatregelen geschikt zijn om deze knelpunten te overwinnen.

Beleidscontext: In het kader van Natura 2000 ligt er een belangrijke opgave voor kwaliteitsverbetering van het habitattype ‘Herstellend hoogveen’ (H7120) en uitbreiding van het habitattype  ‘Actief hoogveen’ (H7110-A). Een succesvolle ontwikkeling van een acrotelm is daarbij cruciaal.

Doel van het onderzoek: Het onderzoek moet duidelijk maken wat de succes- en faalfactoren voor arotelmontwikkeling en welke maatregelen op standplaats- en landschapsschaal zich lenen voor actortelmherstel. De resultaten leiden tot een diagnostische sleutel waarin op toegankelijke wijze de  randvoorwaarden voor de hydrologie, waterchemie, substraat en de te herintroduceren bultvormende veenmossoorten worden afgewogen.

Verwachte opleverdatum: voorjaar 2021


Invloed van boszones rond heideveentjes in het nat zandlandschap

Probleemstelling: In het recent uitgekomen preadvies Kleine Ecotopen werd een kennislacune gesignaleerd omtrent het al dan niet verwijderen van boszones rond kleine, open natte ecotopen (vennen, heideveentjes en soms natte heiden) in het nat zandlandschap. Veel van heideveentjes zijn omringd door een dichte zone van bos. wat moet er met deze zones gebeuren: kappen of juist uitbreiden om habitatkwaliteit van de open ecotoop te verbeteren? Vaak wordt de boszone gekapt, om eutrofiëring door bladinval te voorkomen en lokale kwelstromen te stimuleren. Boszones hebben echter ook positieve invloeden, waaronder invang van stikstof en voorzien in een beschut microklimaat. Dit laatste aspect is met name van belang voor habitat specifieke insecten zoals de Veenbesparelmoervlinder, het Veenbesblauwtje en de Hoogveenglanslibel. Een goed afwegingskader tussen de pros en cons van boszones ontbreekt.

Beleidscontext: In het kader van natura 2000 ligt er een belangrijke opgave voor kwaliteitsverbetering van kwel gevoede kleine ecotopen als heideveentjes (H7110B)en (zeer) zwak gebufferde vennen (H3110 en H3130). Stikstofdepositie vormt voor deze habitattypen een belangrijke bedreiging. Voor de PAS-herstelstrategie is het daarom belangrijk om te weten of het kappen van boszones rond heideveentjes en vennen winst of verlies betekent voor de habitatkwaliteit van het omsloten open gebied.

Doel van het onderzoek: Doel van het onderzoek is om eenduidiger beheers-en inrichtingsrichtlijnen te formuleren over hoe het beste omgegaan moet worden met het kappen, omvormen of uitbreiden van boszones rond kleine, door lokaal grondwater gevoede, open ecotopen in het natte zandlandschap, waarbij rekening wordt gehouden met het effect van boszones op zowel lokale kwelstromen, bladval, stikstofdepositie als het lokale microklimaat in de open kern.

Verwachte opleverdatum: zomer 2019


Systeemgerichte bestrijding van Watercrassula

Probleemstelling: De uitheemse watercrassula (Crassula helmsii) verovert in snel tempo Nederland. Met name in zwakgebufferde vennen kan de soort zeer talrijk worden en overwoekert daar bedreigde plantensoorten. Uitroeien blijkt in de meeste gevallen vrijwel onmogelijk. Tot overmaat van ramp wordt de soort verspreid door ganzen waardoor het in staat is zich snel opnieuw te vestigen. De vraag die nu rijst is of het mogelijk is om te voorkomen dat watercrassula dominant wordt ten koste van andere soorten. Er zijn aanwijzingen dat dit mogelijk kan: watercrassula is vooral een probleem in terreinen waar landbouwgrond is omgevormd naar nieuwe natuur. In deze terreinen, die zich tot zwakgebufferde vennen moeten ontwikkelen, kan de groei van watercrassula zeer uitbundig zijn, wat opmerkelijk is voor een voedselarm milieu. In sommige gebieden lijkt watercrassula niet in staat om te gaan domineren. Kennis over de factoren die sturend zijn op de dominantie van watercrassula ontbreekt en daarmee zijn er ook geen maatregelen om de soort onder controle te houden.

Beleidscontext: Het onderzoek is van belang voor de volgende beleidsonderwerpen:

a) Natura 2000; zeer zwak tot zwak gebufferde vennen zijn een belangrijk habitattype (H3110 en H3130).

b) Natuurnetwerk en Ontwikkeling van nieuwe natuur; Ontwikkeling van nieuwe vennen vindt vooral plaats op voormalige landbouwgronden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland. Het is van belang om te weten hoe de ontwikkeling van het habitattype optimaal kan verlopen zonder dat een uitheemse soort deze verstoort.

Doel van het onderzoek: Het onderzoek moet inzichtelijk maken welke abiotische en biotische factoren van invloed zijn op het invasieve karakter van watercrassula en welke maatregelen geschikt zijn om watercrassula onder controle te houden. Co-financiering voor dit onderzoek komt vanuit de provincie Noord-Brabant en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

Verwachte opleverdatum: eind 2021