Close Menu

Deskundigenteam Nat zandlandschap

Evaluatie omgang met strategieën omgang met overmatige voedingsstoffen

Doel van dit onderzoek is helderheid verschaffen aan beheerders en inrichters over de aanpak van omvorming van voedselrijke landbouwgronden naar natuur.

Probleemstelling: In Nederland zijn de afgelopen twee decennia een aantal strategieën regelmatig toegepast.Zowel in Nederland als daarbuiten is onderzoek verricht naar de effectiviteit en de werking van de deze strategieën maar de resultaten daarvan en de gevolgtrekkingen daaruit lijken elkaar deels tegen te spreken. Daarmee worden beheerders geconfronteerd met tegenstrijdige adviezen. Zulke ogenschijnlijke tegenstrijdigheden hebben daarnaast geleid tot controverses in het debat over de omvorming van voedselrijke landbouw-gronden. Deze gaan over het wel of niet ontgronden, de omgang met bodemfauna, de vraag of met andere strategieën voedselarme natuurtypen kunnen worden gerealiseerd en over hoe de beschikbaarheid van fosfaat het beste kan worden gemeten.

Aard onderzoek:  In dit onderzoek is bestaande kennis samengevat en is een vergelijking van verschillende inrichtings- en beheermethoden in relatie tot schrale natuurdoeltypen uitgevoerd. Daarnaast zijn een aantal projecten met omvorming van landbouw naar schrale natuur geevalueerd. Dit alles resulteerde in een handreiking/afwegingskader voor beheerders over te hanteren strategieën en uitvoering van vooronderzoek in de praktijk.

Verschillende soorten humus. Bron: http://hypersoil.uni-muenster.de/0/04/05.htm  

Uitvoerders: KWR, Universiteit Antwerpen, Vrije Universiteit Amsterdam, Biology centre ASCR, Wageningen University and Research en RAAP

Naast een rapport is een handreiking gemaakt met overzichtelijk en beknopt de resultaten.

 

Alternatieven voor plaggen van natte heiden - effecten op middellange termijn

In dit onderzoek is onderzocht of chopperen en drukbegrazing goede alternatieven zijn voor plaggen op natte heide met een effectief herstel van abiotiek, vegetatie en fauna op middellange termijn. Het gaat om vervolgmonitoring van een eerder ingezet OBN experiment, dat liep van 2011 t/m 2013. Deze vervolgmonitoring is uitgevoerd in 2016, zes jaar na inzet van het experiment.

Probleemstelling: De variatie en soortenrijkdom van heidegebieden staat onder druk, tegelijkertijd is het traditionele landgebruik in heidegebieden vervangen door gericht natuurbeheer. Verzuring, vermesting en verdroging vormen belangrijke knelpunten voor herstel. In natte heide heeft dit dikwijls geleid tot dominantie van Pijpenstrootje en afname van andere kenmerkende heidesoorten. Plaggen met aanvullende bekalking biedt hiervoor een oplossing in de zin dat Pijpenstrootje wordt teruggedrongen ten gunste van Dophei en de verzuring teniet wordt gedaan. Kenmerkende heidesoorten keren echter vaak niet terug. Plaggen heeft daarbij belangrijk negatieve effecten. Daarom is zijn drukbegrazing en chopperen als mogelijke alternatieven voor plaggen onderzocht.

Proefvlakken met emergentievallen zes jaar na plaggen op Stabrechtse heide (onder; SB, bekalkt voor, onbekalkt achter). Bron: OBN221-NZ

Aard onderzoek: Het experiment omvatte een vergelijking van 8 ‘behandelingen’, namelijk 4 maatregelen – chopperen, drukbegrazing, plaggen, niets doen – met en zonder bekalking. Bekalking is toegepast in een dosering van 2 ton dologran (calciumcarbonaat met magnesiumcarbonaat en sporenelementen in korrelvorm) per hectare.

Uitvoerders: de Vlinderstichting, Stichting Bargerveen, Onderzoekbureau B-Ware

 

De organische veenbasis: afbraakprocessen in relatie tot hydrologie

In dit onderzoek is onderzocht hoe kwetsbaar de organische veenbasis is voor biologische afbraak door blootstelling aan lucht (zuurstof), nitraat of sulfaat. Dit kan optreden wanneer de stijghoogte van het water in het zand lager is dan de freatische grondwaterstand in het veen.

Probleemstelling: De veenbasis vormt een slecht tot zeer slecht doorlatende laag tussen een bovenliggende veenlaag en een onder de veenbasis liggende minerale laag. In Nederland is deze minerale laag meestal een zandlaag. Bij een stijghoogte van het water in het zand lager dan de freatische grondwaterstand in het veen is een slecht doorlatende veenbasis essentieel om de wegzijging te beperken en de freatische grondwaterstand zo hoog mogelijk te houden. Het onderzoek richtte zich op het gevaar dat een organische veenbasis vanaf de onderkant wordt aangetast door uitdroging en scheurvorming en door afbraak van organisch materiaal door zuurstof in zijdelings aangevoerde of opgesloten lucht onder de veenbasis of bij een verzadigde situatie door aanvoer van nitraat en sulfaat.  

Uitsnede Landschappelijke Bodemkaart Nederland voor Wierdense Veld met de GLG. Bron: OBN rapport OBN218-NZ

Aard onderzoek: In een raai in het Wierdense veld zijn stijghoogten in de zandlaag en de freatische grondwaterstand in de veenlaag gedurende meer dan 14 maanden gemonitord. Op één punt (buis B) zijn daarbij ook de luchtdruk in de lucht onder de veenbasis en de vochtspanning net boven de veenbasis, onderin de veenbasis en in de zandlaag onder de veenbasis gemonitord. Bij dit punt zijn ook monsters van de veenbasis en het onderliggende zand genomen.

Uitvoerders: Wageningen Environmental Research