Close Menu

Deskundigenteam Laagveen- en zeekleilandschap

Stimulering jonge verlanding tot nieuw trilveen: de rol van biobouwers en vraat

Dit onderzoek ontwikkelt praktisch uitvoerbare maatregelen op landschapsschaal om nieuwe trilveenvegetaties in Nederland te ontwikkelen. Belangrijkste vraag in dit onderzoek  is aan welke biotische stuurknoppen de beheerder kan draaien om mesotrofe verlanding op gang te brengen en over grote oppervlakken over te laten gaan in trilveenkraggen.

Probleemstelling
Als er geen actie wordt ondernomen, zullen binnen 20 tot 30 jaar de laatste overgebleven trilvenen (H7140A) in Nederland vrijwel geheel verdwenen zijn. Voor de biodiversiteit van het laagveenlandschap is het essentieel om dit bedreigde habitattype voor de toekomst te behouden. De meeste van de nog bestaande trilvenen verdwijnen door successie als gevolg van verzuring. Dit natuurlijke proces wordt echter sterk versneld door verdroging, eutrofiëring van het water en hoge atmosferische depositie van stikstof. Naast deze belangrijke abiotische processen  identificeren we twee belangrijke biotische factoren voor de duurzame instandhouding en ontwikkeling van jonge trilvenen: (1) negatieve effecten van herbivorie (vraat) en (2) het ontbreken van belangrijke, voor verlanding positieve ecosystem engineers (‘biobouwers’) in het proces van jonge verlanding en de verdere successie naar trilveenkraggen. Meer inzicht in deze biotische factoren is nodig om effectieve beheer­maatregelen te ontwerpen voor situaties waarin niet de abiotiek, maar de biotiek de beperkende factor is.

Aard van het onderzoek

Het onderzoek bestaat enerzijds uit:

  1. Een bureaustudie naar technieken van vraatbestrijding die op landschapsschaal uitvoerbaar zijn. Daarnaast wordt in de literatuur gezocht naar de vraatbestendigheid van plantensoorten die een rol spelen in de mesotrofe verlanding.
  2. Schatten van de kritische vraatdruk met modellen PC-lake en PC-ditch
  3. Experimenteel onderzoek gericht op het ontwikkelen en uittesten van concrete maatregelen voor de knelpunten rondom vraat (o.a. door kreeft) en het ontbreken van vraatbestendige verlanders.
  4. Onderzoek naar de relatie kreeftendichtheid en kwaliteit verlandingsvegetaties in het veld, in samenwerking met STOWA.

Dit onderzoek is mogelijk met cofinanciering door provincie Utrecht en Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen.
Het onderzoek wordt uitgevoerd door een onderzoeksconsortium onder leiding van Witteveen&Bos en in samenwerking met bureau Waardenburg, ATKB, Eis en Universiteit van Amsterdam.

Verwachte opleverdatum: medio 2022.


Bevloeiing als beheermaatregel voor behoud en herstel van basenrijke trilvenen

Probleemstelling
De goed ontwikkelde vormen van het habitattype basenrijke trilvenen (H7140A) kenmerken zich door een hoge verscheidenheid aan zeldzame plantensoorten. Sturend in de successie en de patronen is de mate van isolatie van het basenrijke oppervlakte- of grondwater. Het lukt beheerders niet om een langzame ontwikkeling te behouden, waarin voor alle soorten voldoende tijd is om zich te vestigen. Voorkomens van dit habitatsubtype zijn dan ook zeldzaam en gaan nog steeds achteruit. Het is bekend dat goede trilvenen alleen voorkomen waar regelmatig basenrijk water boven maaiveld staat. Het behoud van de basenrijkdom in de bodem is van doorslaggevend belang. Indien verzuring en eutrofiëring niet ‘gebufferd’ worden door aanvoer van basen verschuift de vegetatiesamenstelling naar door veenmossen gedomineerde kraggen. Het bevloeien met schoon, basenrijk oppervlaktewater is een kansrijke maatregel om de buffercapaciteit van het habitatsubtype te behouden en te herstellen. Het is echter onbekend hoe deze maatregel ingezet moet worden voor een goed resultaat.

Beleidscontext
Het gaat in dit onderzoek om een nadere uitwerking van kennislacunes in het kader van Natura2000 en PAS, noodzakelijk om het habitattype H7140A te kunnen behouden. Voor veenmosrietlanden en blauwgraslanden wordt vaak genoemd dat inundatie met basenrijk water gewenst is. Het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het vermijden van verbossing als herstelmaatregelen blijken op zichzelf onvoldoende om basenrijke trilvenen in stand te houden. Er is dus onvoldoende kennis aanwezig over hoe basenrijke trilvenen effectief te beheren.

Doel van het onderzoek

  1. De rol van inundaties in trilvenen beter te begrijpen en vast te stellen of en hoe de N2000-doelen met behulp van bevloeien haalbaar zijn.
  2. Bijdragen aan een effectief en kostenefficiënt beheer van kraggeverlandingen met als resultaat behoud en herstel van het habitattype H7140A “basenrijke trilvenen”.

Verwachte opleverdatum: herfst 2018


Verbrakking

Probleemstelling
Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn de chloridegehalten in Noord-Holland sterk gedaald en verdwijnt een systeem met bijzondere natuurwaarden die nu erg zeldzaam zijn in Europa. De zout- of brakwater gebonden natuurwaarden die nog resteren zijn aanwezig als relicten in het zoete landschap en staan sterk onder druk. Het gaat daarbij om de verlanding met ruwe bies als belangrijkste soort.  Ook zijn de brakke ruigten en zomen langs waterlopen bijzonder door de aanwezigheid van brakke soorten als heemst en echt lepelblad.  Uit eerder onderzoek blijkt dat verbrakking direct invloed heeft op de waterkwaliteit, het doorzicht en de omstandigheden voor flora en fauna. Het ontbreekt nog aan concrete beheermaatregelen om dit in praktijk te brengen. Er is dringend behoefte aan vervolgonderzoek op praktijkschaal. Naast de effecten van opschaling (methodiek) moeten ook de effecten op de vegetatie in beeld gebracht worden en moeten de resultaten doorvertaald worden naar de beheerpraktijk.

Beleidscontext
Ten aanzien van habitatrichtlijnsoorten en habitattypen zijn zowel positieve (voor herstel van brakke habitattypen) als negatieve effecten (met betrekking tot zoete habitattypen) van verbrakking te verwachten. Een gefundeerde beheerskeuze voor al dan niet verbrakken kan alleen genomen worden als deze ontbrekende kennis voorhanden is. Verbrakking is daarbij relevant met betrekking tot zowel Natura 2000 als de Europese Kaderrichtlijn Water en raakt verschillende belangrijke maatschappelijke thema’s waaronder zoetwatervoorziening en klimaatverandering.

Doel van het onderzoek
Het in kaart brengen van zowel de bedreigingen (risico voor de huidige natuurwaarden o.a. Natura 2000) als de kansen van verbrakking voor het natuur- en waterbeheer in het laagveenlandschap, zodat de verschillende beleids- en beheersopties voldoende onderbouwd afgewogen kunnen worden bij het nemen van beslissingen rond dit thema. Het gaat daarbij om de effecten op landsschapsschaal en op plant- en diergemeenschappen, habitattypen en habitatsoorten 

Verwachte opleverdatum: eind 2017 (fase 1)