Close Menu

Deskundigenteam Laagveen- en zeekleilandschap

Afgerond onderzoek in periode 2014-2018

Effecten van stikstof in overgangs- en trilvenen

Probleemstelling
Het habitattype  overgangs- en trilvenen (H7140) kenmerkt zich door sterke temporele veranderingen in soortsamenstelling. Successiestadia ontwikkelen zich van dunne kraggetrilvenen met blaasjeskruid, moeraskartelblad en slaapmossen, tot dikkere kraggen met een door veenmossen en enkele varens gedomineerde vegetatie. Sturend in deze successie is de mate van isolatie van het oppervlaktewater, waarbij een verontreinigde water- en luchtkwaliteit de natuurlijke successie ernstig kan verstoren. Een relatief lange, ongestoorde ontwikkeling van het habitattype is van belang om vestiging en verspreiding van de bijbehorende, veelal zeer zeldzame soorten mogelijk te maken. Het lukt beheerders niet om deze langzame ontwikkeling te bestendigen en voorkomens zijn dan ook zeldzaam en gaan nog steeds achteruit. Er wordt al lang vanuit gegaan dat stikstof en fosfaat hierbij een grote rol spelen, maar de precieze effecten zijn onbekend waardoor nog geen herstelmaatregelen beschikbaar zijn.

Beleidscontext
Het onderzoek is een uitwerking van kennislacunes in het kader van Natura2000 en PAS en is noodzakelijk om het habitattype H7140 te kunnen behouden. Voor overgangs- en trilvenen is de werkzaamheid van 7 van de 16 genoemde herstelmaatregelen bewezen, waarbij het feitelijk maar om twee zaken gaat: het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het vermijden van verbossing. Dat houdt in dat voor meer dan 50% van de herstelmaatregelen onvoldoende kennis beschikbaar is. Nader onderzoek is daarom belangrijk: naar mogelijke effecten van de maatregelen, maar ook naar de sturende factoren en processen in de overgangs- en trilvenen zelf.

Doel van het onderzoek

  1. Vergelijking van alle Nederlandse laagveengebieden met het habitattype overgangs- en trilvenen op kwaliteit van het habitattype, standplaatsfactoren en beheer.
  2. Evaluatie van de effecten van beheermaatregelen. Daarmee kan naar verwachting de effectiviteit van de herstelmaatregelen beter worden onderbouwd.

Gepubliceerd in 2018

Verlanding in laagveenpetgaten. Speerpunt van natuurherstel in laagvenen. Rapport, 2016

Het doel van dit onderzoek was om te achterhalen waarom verlanding van open water in petgaten in Nederlandse laagvenen nauwelijks nog optreedt en hoe dit op gang gebracht zou kunnen worden.

Probleemstelling: In Nederlandse petgaten en meren treedt vrijwel geen successie op van aquatische vegetaties en jonge oeververlandingsstadia naar de verschillende verlandingsvegetaties, waaronder basenrijke trilvenen, waardoor zo goed als alle nieuw gegraven petgaten open water blijven met een betrekkelijk geringe biodiversiteit en zonder verlanding. Het zeer beperkte areaal aan goed ontwikkelde basenrijke schorpioenmosvenen wordt op deze wijze bijvoorbeeld niet of nauwelijks vergroot. Dit is het belangrijkste knelpunt dat opgelost moet worden voor het realiseren van Natura 2000- en KRW-doelen in het laagveenlandschap.

Aard onderzoek: De aanpak is drieledig: (1) historisch onderzoek. (2) veldonderzoek aan petgaten met en zonder jonge verlanding. (3) veldexperimenten met maatregelen om verlanding te stimuleren (inbrengen van rietvlotten met ecosystem engineers, inbrengen van vlotten met zaden van doelsoorten, afplaggen van oevers van legakkers en maaien van jonge verlandingsvegetaties. Het zwaartepunt van dit onderzoek ligt in de Oostelijke Vechtplassen.

Uitvoerders: Onderzoeksbureau B-Ware, i.s.m. Altenburg en Wymenga, NIOO, VanHallLarenstein, Waternet, Uva en de RUN.

Gepubliceerd in 2016


Peilfluctuaties in het laagveenlandschap: relaties tussen hydrologie, ecosysteem-dynamiek en Natura-2000 habitattypen. Rapportage Fase 2, 2015

Het doel van dit onderzoek is om de voor- en nadelen van een meer natuurlijk peilbeheer voor de natuurkwaliteit van het laagveenlandschap in verschillende biogeochemische gebieden in beeld te brengen, gericht op een goede afweging voor beheer en beleid.

Probleemstelling: In het kader van Natura 2000 worden zeldzame soorten en vegetatietypen in Nederland beschermd. De gereguleerde hydrologie en het daarmee samenhangende rigide waterpeil worden vaak gezien als knelpunt voor succesvol beheer en ontwikkeling van natuur. Gericht dynamisch peilbeheer kan een positieve uitwerking hebben op de ontwikkeling van trilvenen in laagveengebieden. Dynamisch peilbeheer is ook een van de (hypothetische) herstelmaatregelen in de PAS herstelstrategie H7140A (Overgangs- en trilvenen (trilvenen). Het ontbreekt echter aan de noodzakelijke kennis om deze effecten goed te kunnen inschatten.

Aard onderzoek: Laboratoriumonderzoek en veldexperimenten in drie geohydrologisch en biogeochemisch verschillende gebieden, die karakteristiek zijn voor de Nederlandse laagveengebieden als geheel: (1) De Weerribben-Wieden (relatief kalkrijk oppervlaktewater, weinig kwel van ijzerrijk grondwater,  zwavel relatief beperkt; (2) Het Oostelijke Vechtplassengebied (veel kwel van kalkhoudend en ijzerrijk water, zwavel beperkt; (3) Het Ilperveld (geen kwel, kalk- en ijzer betrekkelijk laag, hoge zwavelconcentraties).

Uitvoerders: Universiteit van Amsterdam, samen met de RUN, B-Ware en Witteveen&Bos

Gepubliceerd in 2015