Close Menu

Deskundigenteam Droog zandlandschap

Oorzaken van tegenstrijdige aantalstrends bij insectenetende vogels van droge bossen en heide: zullen herstelmaatregelen tegen verzuring helpen?

Probleemstelling: De natuurkwaliteit in het Pleistocene zandlandschap is door atmosferische depositie van N- en voorheen S-verbindingen sterk achteruit gegaan. Ook vogels hebben hier last van. Opvallend genoeg vertonen met name insectenetende broedvogels tegenstrijdige trends als het om aatalsontwikkelingen gaat. Obligaat insectenetende broedvogels van naaldbos en droge heide, zoals zwarte mees, paapje en tapuit, gaan (sterk) in aantal achteruit, terwijl andere insectenetende soorten in hetzelfde ecosysteem zoals groene specht, nachtzwaluw en roodborsttapuit nog steeds in aantal toenemen. Daarnaast zijn er grote verschillen tussen populaties van dezelfde soort in verschillende gebieden. Deze tegenstellingen laten zich niet simpel verklaren uit trekstrategie of broedbiologie; de achterliggende oorzaken zijn daarmee nog onbekend. Voor het beheer is het van groot belang te weten welke broedvogelsoorten op welke plekken problemen ervaren. Ook moet er helderheid komen over de gevolgen voor broedvogels van effectgerichte maatregel als steenmeelbemesting.

Beleidscontext: Voor de N2000 gebieden in het droge zandlandschap gelden instandhoudings- en herstelopgaven vanuit de Vogelrichtlijn, naast soortgerichte doelen vanuit de Habitatrichtlijn en de algemene zorgplicht uit de wet Natuurbescherming. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij de uitvoering van (herstel)maatregelen. Kennis om de te verwachten effecten van maatregelen op herstel van de oorspronkelijke fauna en flora te kunnen inschatten ontbreekt vrijwel geheel. De Bossenstrategie (IPO & Ministerie LNV, 2020) zet onder andere in op de kwaliteitsverbetering van het Nederlandse bos, mede ten behoeve van het halen van de biodiversiteitsdoelen. Dit onderzoek draagt bij aan de daarvoor noodzakelijke kennis om de juiste beheermaatregelen te nemen. De in dit onderzoek te ontwikkelen kennis sluit direct aan op de ambities voor de kwaliteit van natuurgebieden in Spoor I van het programma Natuur (Ministerie LNV, 2020) maar zal tevens bijdragen aan de verbetering van de basiskwaliteit van natuur zoals voorgesteld onder Spoor 2.

Doel van het onderzoek: Het doel van het onderzoek is te doorgronden hoe de verzuringsproblematiek doorwerkt op insectivore zangvogels die tegenstrijdige populatieontwikkelingen laten zien binnen droge bossen en heidegebieden en welke andere factoren hier mogelijk bij betrokken zijn. De resultaten moeten leiden tot aanbevelingen voor beheerders om bij uitvoeren van maatregelen voor herstel van de natuurkwaliteit van de droge bos- en heidegebieden. De nadruk in het onderzoek ligt bij de beoordeling van de effectiviteit van de toepassing van steenmeel of schelpbekalking als herstelmaatregel, omdat naast afname van de stikstofdepositie bodemherstel in dit ecosysteem noodzakelijk is.

 

Herstel van droge heide in relatie tot kantelpunten in  bodem- en humuskenmerken bij vergrassing

Probleemstelling: In de jaren 1980 is veel onderzoek verricht naar de toen sterk opkomende vergrassing met bochtige smele van heideterreinen. Dit onderzoek ligt aan de basis van intensieve herstelmaatregelen die tot voor kort regulier werden uitgevoerd, zoals plaggen en chopperen. Na 2000 is wordt vergrassing door bochtige smele nergens meer als probleem ervaren. Tegelijkertijd zien we in de laatste jaren in het droge heidelandschap een schijnbaar onstuitbare opmars van pijpenstrootje ten koste van heidevegetaties en de hierbij behorende karakteristieke soorten. Deze ontwikkelingen werpen een ander licht op ‘vergrassers’ en vragen om nieuwe richtlijnen voor het beheer. Er zijn aanwijzingen dat bodemdegradatie door verzuring en stikstoftoevoer een belangrijke rol speelt bij de uitbreiding van pijpenstrootje en dat na plaggen een kantelpunt lijkt te ontstaan van jonge heidebegroeiingen naar dominantie van pijpenstrootje. De oorzaken van het zeer verschillend gedrag van smele en pijpenstrootje ontbreekt echter.

Beleidscontext: Vanwege de verwachte link met stikstofdepostitie is dit onderzoek momenteel zeer relevant voor beleidsmakers. Het onderzoek is relevant voor het habitattype Droge heiden (4030) omdat hiervan een steeds groter deel zodanig vergrast met pijpenstrootje dat er geen sprake meer is van kwalificerende vegetaties. Hierdoor loopt de landelijke oppervlakte verder terug. Ook de kwaliteit van de nog wel kwalificerende vegetaties verslechtert. Het onderzoek is ook van belang voor de vergelijkbare habitattypen Stuifzandheiden met struikhei (2310) en Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (2320).

Doel van het onderzoek: Het onderzoek heeft als doel na te gaan onder welke bodemkundige en bodemchemische omstandigheden ongewenste (invasieve) vergrassing van pijpenstrootje optreedt en onder welke condities gewenste vergroting van het aandeel grazige heischrale soorten plaatsvindt in het droge heidelandschap. Dit wordt vertaald in concrete beheeradviezen.