Close Menu

Deskundigenteam Droog zandlandschap

Herstel van droge en natte heide door steenmeelgift – de middellange termijn

Probleemstelling: Atmosferische depositie van N- en –voorheen- S-verbindingen leidt tot verzuring en vermesting in het Pleistoceen zandlandschap. Dit leidt tot een sterke kwalitatieve afname van de kenmerkende voedselarme en (zeer) zwak gebufferde habitattypen van het droog en nat zandlandschap. Het effect van de belasting met N is in de afgelopen decennia onder andere bestreden door plagmaatregelen in vergraste droge en natte heide. Uit recent onderzoek blijkt dat plaggen weliswaar effectief is in het verwijderen van geaccumuleerd stikstof en het verkrijgen van door dwergstruiken gedomineerde vegetatie, maar dat dit nog niet heeft geleid tot functioneel herstel van deze habitattypen. Er is dan ook de dringende behoefte aan onderzoek naar herstel van bodemverzuring via slow release mineralengift met steenmeel die op droge en natte heide kan worden toegepast zonder daarbij te plaggen.

Beleidscontext: Voedselarme en zwak gebufferde habitattypen van het pleistoceen zandlandschap komen hoofdzakelijk voor in het heidelandschap. Dit zijn zowel droge, niet door (schijn)grondwater beïnvloede habitattypen (H2310, H2330, H4030, H5130, H6230 en H9190) als natte, door (schijn)grondwater beïnvloede habitattypen (H4010A, H3110, , H3130, H3160). Met name voor de droge heiden (habitattype H4030), maar ook voor zeer zwak gebufferde natte heide (habitattype H4010A) is de huidige staat van instandhouding ongunstig tot zeer ongunstig. De Natura 2000 doelstellingen dwingen tot een significante kwaliteitsverbetering van deze twee habitattypen. Ook de PAS voorziet een aanzienlijke beheerinspanning om voor deze habitattypen de landelijke doelen met betrekking tot stikstofhuishouding te behalen.

In de herstelstrategieën van deze habitattypen wordt vastgesteld dat enkel stikstofverwijdering geen effect heeft op herstel van het zuurbufferend vermogen. In het profielendocument H4030 wordt daarnaast beschreven welke beperkingen plagmaatregelen met zich mee brengen. Bufferherstel wordt voor deze typen gezien als in grote lijnen bewezen maatregel, maar bij de meeste habitattypen wordt opgemerkt dat bekalking met carbonaten (kalk, Dolokal) met voorzorg moet worden benaderd en dat verfijning van deze beheervorm per habitattype wenselijk is. Een belangrijke kennisvraag vanuit het beleid is daarom hoe mineralenstatus en buffercapaciteit, met behoud van het organische bodemprofiel, kan worden hersteld en of dit leidt tot een verbetering van habitatkwaliteit voor het hele ecosysteem.

Doel van het onderzoek: Het doel van het onderzoek is om te komen tot het ontwikkelen van een voor natuurbeheerders praktijkrijpe effectieve maatregel voor herstel van de mineralenstatus, bodemchemie en kenmerkende biodiversiteit van de droge en natte heide door inzicht te verkrijgen in de middellange termijneffectiviteit van heideherstel door experimentele steenmeeltoediening.

 

Middellange termijneffecten van steenmeelgift en het herstel van droge loofbossen met zomereik

Probleemstelling: In het Pleistocene zandlandschap is door atmosferische depositie van N- en, voorheen S-verbindingen zowel bodemverzuring als vermesting opgetreden. Dit heeft tot een sterke kwalitatieve afname van de kenmerkende voedselarme en (zeer) licht gebufferde habitattypen van het droog zandlandschap geleid. Naast heiden en heischrale graslanden hebben ook de loofbossen op voedselarme of soms iets rijkere zandbodem – veelal met zomereik – te maken met deze problematiek. De recente grondwaterstanddaling als gevolg van de droogte in 2018 heeft de situatie vrijwel zeker verder verslechterd.  Kant en klare effectieve herstelmaatregelen zijn er voor droge arme loofbossen op dit moment niet.
In de periode eind 2015-2018 is een eerste onderzoek uitgevoerd naar de korte termijn effectiviteit van steenmeel (“slow-release silicaatmineralen”) als herstelmaatregel in loofbossen met zomereik op droge zandgrond. Het is na drie jaar onderzoek duidelijk geworden dat steenmeeltoevoeging kansrijk is. Maar er kan zeker nog geen praktijkrijpe herstelmaatregel worden geformuleerd. Processen in bosecosystemen werken immers op langere tijdschaal dan enkele jaren. Het is daarom onduidelijk na hoeveel jaren het optimale effect van de steenmeeltoedieningen bereikt zal worden en of deze maatregel op middellange termijn tot voldoende abiotisch en biotisch herstel van het hele bossysteem zal leiden. Pas dan kan de door beheerders en beleid gevraagde praktijkrijpe herstelmaatregel worden geformuleerd.

Beleidscontext: Veel bosgebieden zijn vanwege de actuele en potentiële natuurwaarde onderdeel van het N2000 netwerk (denk o.a. aan Veluwe) en vormen een cruciaal onderdeel van een vitaal natuurnetwerk. Het betreft hier ook twee Natura-2000 habitattypen (H9120 Beuken-eikenbossen met hulst en H9190 Oude eikenbossen) die te maken hebben met een overmaat aan stikstof en geen bewezen herstelmaatregelen. Met name in bossen met loofhoutsoorten komen veel verschillende soorten planten en dieren voor, terwijl de bossen zelf naast een ecologische ook een grote recreatieve (beleving), milieu (fijn stof, CO2-vastlegging) en economische (houtoogst, recreatie) functie hebben. Het probleem speelt in een groot deel van het Nederlandse bos op zandgrond. De urgentie wordt niet alleen om ecologische, economische of natuurbeschermingsredenen gevoeld: ook de veiligheid van recreanten komt in toenemende mate in het gedrang vanwege risico op vallend dood hout (waardoor voor de beheerder extra kosten voor boomonderhoud heeft).
Het onderzoeksvoorstel heeft een sterke relatie met meerdere thema’s die in de Kennisagenda van het OBN zijn beschreven (Herstel en beheer natuurgebieden, PAS herstelstrategieën).

Doel van het onderzoek: Het doel van het onderzoek is om te komen tot het ontwikkelen van een voor natuurbeheerders praktijkrijpe effectieve maatregel voor herstel van de mineralenstatus, bodemchemie, bodemleven (microbieel, mycorrhiza), boomvitaliteit, kenmerkende biodiversiteit en de daarbij behorende voedselketens van loofbos met zomereik, door inzicht te verkrijgen in de middellange termijneffectiviteit van bosherstel door experimentele steenmeeltoediening.