Close Menu

Deskundigenteam Droog zandlandschap

Herstel van droge en natte heide door steenmeelgift – de middellange termijn

Probleemstelling
Atmosferische depositie van N- en –voorheen- S-verbindingen leidt tot verzuring en vermesting in het Pleistoceen zandlandschap. Dit leidt tot een sterke kwalitatieve afname van de kenmerkende voedselarme en (zeer) zwak gebufferde habitattypen van het droog en nat zandlandschap.
Het effect van de belasting met N is in de afgelopen decennia onder andere bestreden door plagmaatregelen in vergraste droge en natte heide. Uit recent onderzoek blijkt dat plaggen weliswaar effectief is in het verwijderen van geaccumuleerd stikstof en het verkrijgen van door dwergstruiken gedomineerde vegetatie, maar dat dit nog niet heeft geleid tot functioneel herstel van deze habitattypen. Er is dan ook de dringende behoefte aan onderzoek naar herstel van bodemverzuring via slow release mineralengift met steenmeel die op droge en natte heide kan worden toegepast zonder daarbij te plaggen.

Aard van het onderzoek
In de periode 2014-2017 is een eerste onderzoek uitgevoerd naar de korte termijn effectiviteit van slow release mineralengiften (“steenmeel”) als herstelmaatregel in droge en natte heide. Het betrof een tweetal experimenten in het NP De Hoge Veluwe (droge en natte heide; gefinancierd door OBN) en een experiment op de Strabrechtse heide (gefinancierd door prov. Noord-Brabant). Het is na drie jaar onderzoek duidelijk geworden dat steenmeel toevoeging kansrijk is, maar ook dat er door het langzame werkingsmechanisme nog geen praktijkrijpe herstelmaatregel kon worden geformuleerd. Modelberekeningen over de verwering van steenmeel hebben laten zien dat na 5-10 jaar de anti verzuringseffecten van de maatregel veel duidelijker aanwezig zullen zijn, maar het is natuurlijk nog niet zeker of deze maatregel uiteindelijk ook in de veldsituatie tot voldoende ecologisch herstel van het heidesysteem zal leiden. Bovendien kunnen eventuele negatieve effecten op het biotische systeem nog niet helemaal worden uitgesloten. Kortom, vervolg van het OBN-onderzoek naar de middellangetermijneffecten van steenmeeltoevoeging is dringend gewenst.

Voedselarme en zwak gebufferde habitattypen van het pleistoceen zandlandschap komen hoofdzakelijk voor in het heidelandschap. Dit zijn zowel droge, niet door (schijn)grondwater beïnvloede habitattypen (H2310, H2330, H4030, H5130, H6230 en H9190) als natte, door (schijn) grondwater beïnvloede habitattypen (H4010A, H3110, H3110, H3130, H3160). Met name voor de droge heiden (habitattype H4030), maar ook voor zeer zwak gebufferde natte heide (habitattypen H4010A) is de huidige staat van instandhouding ongunstig tot zeer ongunstig. De Natura 2000 doelstellingen dwingen tot een significante kwaliteitsverbetering van deze habitattypen.

In de herstel strategieën van deze habitattypen wordt vastgesteld dat enkel stikstofverwijdering geen effect heeft op herstel van het zuur-bufferend vermogen. Een belangrijke kennisvraag vanuit het beleid is hoe mineralenstatus en buffercapaciteit met behoud van het organische bodemprofiel kan worden hersteld en of dit leidt tot een verbetering van habitatkwaliteit voor het hele ecosysteem. Het doel van het onderzoek is om te komen tot het ontwikkelen van een voor natuurbeheerders praktijkrijpe effectieve maatregel voor herstel van de mineralenstatus, bodemchemie en kenmerkende biodiversiteit van de droge en natte heide door inzicht te verkrijgen in de middellange termijneffectiviteit van heideherstel door experimentele steenmeeltoediening.

Verwachte opleverdatum: maart 2023

Herstel loofbossen op droge zandgronden

Probleemstelling
In het zandlandschap is door atmosferische depositie van N-, en voorheen ook S-verbindingen zowel bodemverzuring als vermesting opgetreden. Dit heeft tot een sterke kwalitatieve afname van de kenmerkende voedselarme en (zeer) licht gebufferde habitattypen van het zandlandschap geleid. Door de voortschrijdende bodemverzuring (= afname buffercapaciteit) zijn kationen zoals Ca, K en Mg steeds meer uitgespoeld, en is de beschikbaarheid van Al verhoogd. Verder wordt de afbraak van organisch materiaal en vaak ook de nitrificatie geremd. Door de overmaat aan stikstof is de mineralenbalans van de systemen op zandgrond nog verder verstoord geraakt. De laatste jaren is hieraan veel aandacht besteed in verband met het herstel van de biodiversiteit in heiden. Ook de loofbossen op voedselarme of soms iets rijkere zandbodem –veelal met zomereik– hebben te maken met deze problematiek. Zo is de ondergroei van veel van deze loofbossen sterk gedegradeerd. Tevens zijn er problemen met de voedselkwaliteit door de mineralenonbalans die sterk doorwerken op de fauna in de voedselketen en is er ook recent op meerdere plaatsen verminderde groei en soms zelfs veel sterfte van de zomereik waargenomen, met name waar deze onbalans groot is. Kant en klare effectieve herstelmaatregelen zijn er voor droge arme loofbossen op dit moment niet.

Beleidscontext
Het probleem speelt in een groot deel van het Nederlandse bos op zandgrond. Veel van deze bosgebieden zijn onderdeel van het N2000 netwerk of van het Natuurnetwerk. Daarbij spelen twee Natura2000 habitattypen (H9120 Beuken-eikenbossen met hulst en H9190 Oude eikenbossen) die te maken hebben met een overmaat aan stikstof en geen bewezen herstelmaatregelen kennen. Met name in bossen met loofhoutsoorten komen veel verschillende soorten voor, terwijl de bossen zelf naast een ecologische ook een grote recreatieve, milieu en economische functie hebben. Ook de veiligheid van recreanten komt in toenemende mate in het gedrang vanwege het risico van vallend dood hout, waardoor de beheerder extra kosten voor boomonderhoud heeft.

Doel van het onderzoek
a) een analyse van de rol van bodemverzuring en N-overmaat in de degradatie van droge loofbossen op arme zandgrond (inclusief zomereiksterfte) en
b) het opzetten en uittesten van voor de beheerpraktijk bruikbare herstelmaatregelen (bekalking, slow release mineralengift) om de waargenomen degradatie terug te draaien, zonder bijkomende ongewenste neveneffecten als verruiging.

Verwachte opleverdatum: februari 2022


Kansen voor oude droge heide

Probleemstelling
Door een lange historie van plaggen en anderszins verschra­len is in veel droge heide de productiviteit sterk gedaald en is de voedselkwaliteit voor kleine fauna sterk afgenomen. Tegelijkertijd is het gehele spectrum van vormen van droge heide sterk verschoven naar betrekkelijk jonge en door struikhei gedomineerde droge heide. Pas recent is aandacht voor de natuurkwaliteit van langdurig onge­plagde (‘oude’) heide vooral door de hoge structuur- en soortdiversiteit en door de gunstige effecten van een dik goed ontwikkeld humusprofiel op de vochthuis­houding (‘heide met een dikke H’). Onderzoek aan chronosequenties op verschillende gronden (vaag-, leemarme humuspodzol-, moderpodzol-en leemgronden) leverde het inzicht hoe droge heide zich verschillend ontwikkelt afhankelijk van de bodem. De leeftijd van het heidesysteem (dikte van het humusprofiel) bepaalt vervolgens in hoeverre bosbes­heide en vochtvarianten ontstaan, zoals levermosrijke heide en vochtige heide met dophei codominantie en veenbies.
Beide inzichten hebben geleid tot aanbevelingen om zeer terughou­dend te zijn met plaggen en in te zetten op een beheer waarbij het humusprofiel zich kan herstellen als vochtbuffer en nutriëntenvoorraad. Doordat het heidebeheer terughoudender is geworden met plaggen en chopperen, is de onzekerheid toegenomen over eventuele effecten van  een gestage accumulatie van stikstof. Het humusprofiel van droge heide blijkt stikstof uit depositie voor een aanzienlijk deel te immobiliseren waardoor het effect van N-depositie op de soortensamenstelling van oudere heidevegetaties minder groot is dan verwacht. Hoewel tegelij­kertijd het humusprofiel, met name de H-laag, blijft toenemen in dikte en daarmee in opslagcapaciteit voor stikstof, is onbekend of en zo ja wanneer de capaciteit voor de immobilisatie van stikstof wordt bereikt.

Beleidscontext
Het onderzoek sluit aan op de prioritaire kennisvraag uit de PAS ‘hoe de ontwikke­ling in nutriëntenhuishouding is in oude successiestadia op heiden’. Het onderzoek is relevant voor de habitattypen H4030 Droge heiden, H2310 Stuifzandheiden met struikhei en H2320 Binnenlandse kraaiheibegroei­ingen. Vanuit het beheer speelt de vraag welke grootschalig toepasbare maat­regelen er zijn voor aangetaste, droge heide om herstel te realiseren (bekalken leidt tot onbalans in nutriënten of het voedselrijker worden van het systeem; met steenmeel is nog onvoldoende ervaring). Bij beheerders is zeer dringend behoefte aan een compleet overzicht van beheeropties (inclusief niets doen) met te verwachten ontwikkeling met voor- en nadelen om goede afwegingen te kunnen maken in welke omstandigheden welke maatregelen het meest zinvol zijn.

Doel van het onderzoek
Het onderzoek omvat de volgende onderdelen:

  • inventarisatie van oude (= vele decennia niet-geplagde) droge heide op leemarme humuspodzolen en moderpodzolen in gebieden die verschillen in N-depositie;
  • bepaling van nutriëntenvoorraden van relevante horizonten van bo­dem en humusprofiel en van kenmerkende soorten van de kruidlaag in chronosequenties van heide- en humusprofielontwikkeling;
  • experimenteel onderzoek naar de efficiëntie van immobilisatie in oude heidebodems bij wekelijkse additie van hoge N-doses in intacte bodemkolommen;
  • synthese van literatuur, van beschrijvingen en analyses uit het onder­zoek tot opties voor ontwikkeling en beheer van extensief beheerde droge heide, afhankelijk van bodemtype en niveau van N-depositie. Met concrete referenties en ontwikkelingsreeksen als ‘best practices’ voor het beheer.

Verwachte opleverdatum: zomer 2020