Close Menu

Deskundigenteam Droog zandlandschap

Herstel van kruiden- en faunarijke graslanden in het droge zandlandschap 

In dit onderzoek is gezocht naar maatregelen om het het zogenaamde witbolstadium (veel gras, weinig soorten bloeiende planten) te doorbrekenTijdelijk akkerbeheer en kaliumbemesting, al dan niet in combinatie met het inbrengen maaisel zijn hierbij de kansrijke maatregelen die zijn onderzocht. Met name zwarte braak (een soort tijdelijk akkerbeheer) in combinatie met inbreng van doelsoorten uit het kruiden- en faunarijke grasland leverde goede resultaten op. 

Probleemstelling Kruiden- en faunarijke graslanden vormen een steeds belangrijker element in het droog zandlandschap omdat ze kansen bieden aan een grote soortenrijkdom van vaatplanten (nectar!) die op hun beurt zorgen voor een rijke fauna en mycoflora, terwijl de diversiteit in het omringende agrarische landschap steeds verder afneemt. Op veel voormalige landbouwgronden wordt via verschralingsbeheer geprobeerd dit beheertype te ontwikkelen. In de praktijk blijken pogingen om dit beheertype te realiseren te stranden in de successiefase met dominantie van struisgrassen of met gestreepte witbol (“witbolstadium”). Pas na tientallen of wellicht zelfs honderden jaren zou verschralingsbeheer kunnen leiden tot waardevolle, kruiden- en faunarijke graslanden. De ervaring dat het witbolstadium moeizaam met verschralingsbeheer te doorbreken is en de eerste resultaten van de verkennende onderzoeken geven aan dat een tijdelijk akkerstadium voordat kruiden- en faunarijke graslanden worden gerealiseerd al een praktijkrijp advies is in situaties waar dit mogelijk is (de net uit productie genomen landbouwgronden). Voor de al langere tijd beheerde bestaande graslanden die in een witbolstadium blijven steken, ligt er nog een belangrijke vraag. Is er in deze graslanden met een tijdelijk akkerstadium, al dan niet in combinatie met kaliumbemesting en/of andere maatregelen zoals inbreng van maaisel, een kruiden- en faunarijk grasland te realiseren?

Succesvolle vestiging van gewone margriet na inzaaien in behandelde proefvlakken

Aard van het onderzoek: Tijdelijk akkerbeheer (zowel tijdelijke roggeteelt als gedurende een groeiseizoen herhaaldelijk de bodem frezen (zwarte braak)), in combinatie met het inbrengen van zaden van nectar- en waardplanten, zijn als kansrijke maatregelen onderzocht.

 

Heideherstel op voormalige landbouwgrond in het Noordenveld (Dwingelerveld)

De huidige staat van instandhouding van droge, voedselarme habitats zoals heide, heischrale graslanden en kalkgraslanden is in de meeste West-Europese landen ronduit slecht te noemen. Ook in Nederland is dit het geval.

Het onderzoek richt zich op een analyse van de mogelijkheden om, na ontgronding, de omvorming van landbouwgronden naar heide te versnellen door actieve manipulatie van bodemchemie (via bekalking of verzuring) al of niet in combinatie met toevoer van biota (vegetatie of plagsel). Het betreft hierbij zowel het habitattype droge heide (H4030) als natte heide (H4010) en de voor deze typen kenmerkende soorten.

Beleidscontext
Zowel herstel van de kwaliteit van bestaande heiden als ook het vergroten van de oppervlakte (goed ontwikkelde) heide binnen Natura2000-gebieden en het NNN en zijn een expliciet beleidsdoel. Dit betreft zowel Natte heide (H-4010; Ericetum tetralicis) als Droge heide (H-4030; Genisto-Callunetum). In het kader van de stikstof-aanpak zijn herstelstrategieën voor stikstof-gevoelige habitats ontwikkeld, waaronder ook heide. Hierover is ondertussen de nodige kennis verzameld. Een groot deel van de beoogde uitbreiding moet worden gerealiseerd op voor dit doel uit productie genomen landbouwgronden en over dergelijke inrichting is veel minder bekend.

Probleemstelling
Uit in het verleden uitgevoerde projecten op voormalige landbouwgrond is een aantal serieuze bottlenecks bekend bij de omvorming van landbouwgronden naar schrale natuurtypen zoals heide, zowel op abiotisch als biotisch vlak:

  • hydrologische knelpunten (ontwatering van voormalige landbouwgronden;
  • een te hoge bodem pH en buffering (landbouwgronden werden bekalkt);
  • een te hoge beschikbaarheid van nutriënten (bemesting met N en P);
  • het afwezig zijn van kenmerkende plant- en diersoorten
  • en de aanwezigheid van een bodemgemeenschap -en daarmee de stoffenkringloop- die kenmerkend is voor landbouwgrond.

Studies naar mogelijke oplossingen bij omvorming van landbouwgronden naar heide zijn daarmee van bovenregionaal belang.

Doel van het onderzoek
Het onderzoek richt zich op een analyse van de mogelijkheden om de omvorming van landbouwgrond naar heide te versnellen door actieve manipulatie van bodemchemie, vegetatie en bodembiota na ontgronding.

Aard van het onderzoek
Er is hiervoor een grootschalig veldexperiment opgezet in een deel van het Noordenveld, bestaande uit twee deel-experimenten (ontwikkeling van natte heide en ontwikkeling van droge heide). In ieder deelexperiment zijn twee inrichtingsvarianten getoetst, een variant waarbij de zuurgraad wordt beïnvloed door te bekalken of zwavel op te brengen, en een variant waarbij het aanvoeren van biota (alleen planten of planten + bodemorganismen) wordt beïnvloed. Daarnaast is gekeken naar de manier waarop planten en dieren de proefvlakken koloniseren en of de ontwikkeling van fauna en vegetatie op een positieve manier wordt gestimuleerd door vers plantmateriaal (maaisel) of plagsel (de vegetatie met een 5-6 cm dik laagje bodem) van niet-vergraste natte- of droge heide op de kale bodem aan te brengen.

Extra info
Brochure heidelandschap in ontwikkeling

 

Herstel van heide door middel van slow release mineralengift

In dit rapport zijn de uitkomsten van drie jaar onderzoek naar de effecten van toediening van (minimaal) twee steenmeelsoorten en Dolokal in twee droge heiden (NP de Hoge Veluwe & Strabrechtse Heide) en één natte heide (NP de Hoge Veluwe) beschreven. Hierbij zijn de effecten van steenmeelgift op de bodemchemie, vegetatie en fauna gekwantificeerd.

Probleemstelling: De huidige staat van instandhouding van (voorheen) voedselarme habitats is in de meeste West-Europese landen niet al te gunstig, en dit is zeker ook het geval in het Nederlandse heidelandschap. Het herstellen van de natuurlijke (zeer zwakke tot zwakke) buffercapaciteit van West-Europese heidebodems is een essentiële maatregel om de biodiversiteit van droge heideterreinen te herstellen.Een kansrijke, tot nu toe relatief weinig onderzochte aanpak is om de gevolgen van bodemverzuring tegen te gaan door het verhogen van het zuurbufferend kapitaal (verhogen van de fractie aan mineralen met basische kationen in de bodem).

Aard van het onderzoek: In de winter van 2014/2015 zijn drie experimenten met elk vijf herhalingen (“replica’s”) ingezet met als doel de effectiviteit van verschillende gemalen gesteente uit te testen als maatregel voor bufferherstel van heide. Twee proeflocaties bevinden zich in niet geplagde, droge heide met dominantie van Struikhei en één op een natte heide met codominantie van Gewone dophei en Pijpenstrootje. Met de in deze experimenten toegediende mineralengiften is gepoogd om in ieder geval een aanzienlijk deel van de door antropogene invloeden veroorzaakte verliezen aan te vullen.

 

Ontwikkeling van droge heischrale graslanden op voormalige landbouwgrond, fase 2

In dit onderzoek is onderzocht welke effectieve maatregelen er zijn om vanuit voormalige landbouwgrond heischraal grasland te ontwikkelen, zowel op recent omgevormde grond als op al eerder opnieuw ingerichte gebieden. Tevens welke locaties voor de ontwikkeling van droog heischraal grasland geschikt (te maken) zijn.

Probleemstelling: In het zandlandschap zijn heischrale graslanden de vanouds grazige, meer soortenrijke elementen. Voor veel dieren is het een belangrijk onderdeel van het leefgebied. Op landschapsniveau dragen goed ontwikkelde heischrale graslanden bij aan de geleidelijke overgang van voedselarme, zure landschappen naar voedselrijkere en sterker gebufferde biotopen. Door jarenlange bekalking is de buffering op voormalige landbouwgronden meestal goed waardoor de ontwikkeling van droge heischrale graslanden daar kansrijk. Desondanks blijkt volledig herstel tot nog toe moeizaam te verlopen. Voor het habitattype H6230 Heischrale graslanden geldt een uitbreidingsopgave voor de oppervlakte en voor de kwaliteit een verbeteringsopgave.

Aard van het onderzoek: Onderzocht is hoe gewenste plantensoorten het beste kunnen worden aangevoerd en op welke manier het bodemleven het beste kan worden hersteld. Daarnaast is onderzocht in hoeverre succesvol herstel van bodem en vegetatie afdoende is voor succesvolle hervestiging van karakteristieke macrofauna. Het onderzoek is een vervolg op eerder OBN onderzoek, nu is gekeken naar de effecten op de (middel)langere termijn en of dit aanleiding geeft tot een aanpassing van de aanbevelingen voor beheer en inrichting.

Extra info: Brochure heidelandschap in ontwikkeling

 

Fosfaattoevoeging heide

Het doel van dit onderzoek is het vinden van een methode om de verstoorde nutriëntenverhouding op de heide weer in balans te brengen en wel in het bijzonder de N:P-ratio.

Probleemstelling: Plaggen van heidebodems is veel toegepast als maatregel om de accumulatie van stikstof in de bodem tegen te gaan. Het nadeel van deze maatregel is dat door verwijderen van de organische laag eveneens een groot aandeel van de aanwezige P uit het systeem verwijderd wordt. De vraag is dan of er een combinatie van plaggen, bekalken en fosfaattoediening is die de nutriëntenbalans in de heide kan herstellen en op welke wijze dit het beste kan worden uitgevoerd. En leidt dit dan leidt tot verbetering in voedselkwaliteit voor fauna?

Aard van het onderzoek: In dit project is het effect van P-additie na plaggen op vegetatie en plant nutriënt status onderzocht door middel van een veldexperiment op de Hoge Veluwe, waarbij herstel van basenverzadiging als aanvullende factor is meegenomen. Om het effect van de behandelingen op voedselkwaliteit te bepalen zijn kweekexperimenten met twee verwante modelsoorten (Gryllus campestris en Gryllus bimaculatus) uitgevoerd.

 

Ecologische effecten additieven in bluswater bij bestrijding natuurbranden

Het doel van dit onderzoek is om meer zicht te krijgen op de potentiële ecologische effecten van de werkzame stoffen in additieven die gebruikt worden bij het blussen van natuurbranden.

Probleemstelling: De kans op het optreden van natuurbranden in Nederland neemt naar verwachting toe als gevolg van het door klimaatverandering warmer en droger worden van het zomerseizoen. Om de kans op het optreden van onbeheersbare natuurbranden tot het minimum te kunnen beperken is het inzetten van blusadditieven in natuurbrandbestrijding een optie die op dit moment serieus wordt overwogen en op kleine schaal ook al in de praktijk wordt toegepast. Voor een goede afweging van de wenselijkheid van het gebruik van additieven in de bestrijding van natuurbranden, is het noodzakelijk een beter beeld te hebben van de potentiële ecologische effecten van de werkzame stoffen in deze additieven. De invloed hiervan op de kwaliteit van natuurgebieden is extra relevant daar waar het Natura 2000  gebieden betreft.

Aard van het onderzoek: Deze studie is uitgevoerd vanuit vier verschillende invalshoeken: een literatuurstudie, een modelmatige aanpak, lab-experimenten en een veldvalidatie. Het onderzoek is in hoofdlijnen gericht op heidesystemen.

 

Voedselkwaliteit en biodiversiteit in bossen van de hoge zandgronden

In dit OBN-onderzoek worden de relaties tussen verzuring, vermesting, mineralenrijkdom van de bodem, waardplantkwaliteit en rupsenvraat in bossen van de arme zandgronden ontrafeld, zodat op basis van deze inzichten een herstelstrategie voor de biodiversiteit in deze bossen ontworpen kan worden.

Probleemstelling: De leefgemeenschap in een groot deel van de Nederlandse bossen op zandgrond is verarmd als gevolg van stikstofdepositie en verzuring. Een illustratie hiervan is het optreden van rupsenplagen in Zomereiken. Stikstofdepositie draagt bij aan het optreden van deze rupsenplagen, en is als zodanig ook een weerspiegeling van aantasting van het bosecosysteem. Inzicht in de relaties tussen voedselkwaliteit en biodiversiteit is van belang voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) waarin herstelmaatregelen worden ontwikkeld en uitgevoerd om achteruitgang van biodiversiteit als gevolg van stikstofdepositie tot staan te brengen en om te zetten in herstel.

Aard van het onderzoek: Deze studie is De volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd: 1. Via welk mechanisme kan de bodem-plant interactie bijgestuurd worden, zodat herstel optreedt van de voedingsbalans van planten en vervolgens ook van de daarvan afhankelijke fauna (plant-insect interactie)? 2. Onder wat voor omstandigheden (bodem, depositie, evt. maatregelen in verleden) treedt een verstoorde voedingsbalans op? 3. Gegeven de twee bovenstaande vragen wat zijn mogelijke praktische maatregelen?

Extra info: bossenbrochure: Bossen verdienen beter