Close Menu

Deskundigenteam Cultuurlandschap

Gebiedskenmerken die bepalend zijn voor het voorkomen van doelsoorten in het agrarisch leefgebied ‘Natte dooradering’ en hun beheereisen

De ’natte dooradering’ van het landelijk gebied, met meer dan 300.000 kilometer lengte aan sloten en duizenden poelen, is voor een groot deel in beheer bij agrariërs. Doel is om de ‘natte dooradering’ meer dan nu voor de biodiversiteit te gaan inzetten. Dit onderzoek gaat het met name om het veenweidegebied.

Probleemstelling
Op dit moment is voor veel van de afzonderlijke ANLb (en KRW) doelsoorten voor een groot deel bekend welke factoren van belang zijn. Niet bekend zijn de minimum randvoorwaarden voor een duurzaam voortbestaan van populaties van (een combinatie van) deze soorten en welke inrichtings- en beheermaatregelen nodig zijn om deze omstandigheden te realiseren. Wat mist is (1) inzicht waar de meest kansrijke gebieden liggen; (2) wat de effectiviteit is van maatregelen op systeem/polderschaal; (3a) of herstelmaatregelen voor agrarisch natuurbeheer (ANLb) en KRW voor alle doelsoorten werken en (3b) als soorten strijdige eisen stellen: hoe dat in ruimte en tijd kan worden opgelost.

Aard van het onderzoek
Stap voor stap zullen we de belangrijkste gebiedskenmerken die het voorkomen van doelsoorten en KRW-biodiversiteit in het veenweidegebied gaan bepalen, ontrafelen en vertalen naar het gewenste beheer. Een analyse van macrofaunagegevens, macrofyten­gegevens en data over bodem- en waterchemie wordt uitgevoerd om relaties hiertussen en de gewenste KRW-eisen vast te stellen; deze analyse leidt tevens tot de selectie van een aantal representatieve KRW-gidssoorten.

Verwachte opleverdatum: 1 oktober 2020

 

Bijdrage van greppel-plasdras situaties aan de overleving van weidevogelkuikens           

De hoofdvraag van het onderzoek is: wat is het effect van greppel plasdras percelen op de overleving van weidevogelkuikens tot het vliegvlug stadium? De  additionele vraag is in hoeverre greppel-plasdrassen invloed hebben op CO2-emissie.

Probleemstelling
In weidevogelgebieden is de vochttoestand van de bodem een belangrijk aandachtspunt. Weidevogels zijn gebaat bij een hoge bodemvochtigheid; vanuit de bedrijfsvoering gaat de aandacht juist uit naar een goed drooggelegde bodem. Hoe dit te combineren? De aanleg van greppel-plas-drassen lijkt deze tegenstelling te kunnen overbruggen. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de dichtheden aan weidevogelgezinnen hier relatief hoog is. Greppel-plasdrassen nemen een klein areaal in (doorgaans een perceel of een deel ervan) en kunnen daarom goed in de bedrijfsvoering worden ingepast. De vraag is of dit ook leidt tot meer vliegvlugge jongen en daarmee tot een meer duurzame populatie.

Aard van het onderzoek
Om het effect van greppel plasdrassen vast te stellen zullen met behulp van veldonderzoek situaties met en zonder plasdras paarsgewijs worden vergeleken. De aanwezigheid van gezinnen en de overleving van de kuikens wordt met behulp van radiozenders en aanvullende observaties vastgesteld. Het onderzoek heeft een landelijke dekking: verspreid over Nederland zullen drie gebieden worden onderzocht; in totaal worden 60 gezinnen gevolgd, waarvan het vrouwtje en één van de jongen worden gezenderd.

Verwachte opleverdatum: eind 2019

Gebiedskenmerken open akkerland en droge dooradering

Probleemstelling
Binnen het nieuwe stelsel Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb2016) worden beheermaatregelen uitgevoerd binnen door de provincie begrensde leefgebiedtypen. De maatregelen zijn gericht op habitatverbetering van doelsoorten.
Op basis van de ecologische eisen van doelsoorten aan hun leefomgeving, is een set van maatregelen ontwikkeld om het leefgebied te optimaliseren. Voor elk leefgebied zijn de maatregelen vertaald naar beheerpakketten. Een belangrijke vraag die nog niet beantwoord is, is op welke ruimtelijke schaal en in welke configuratie het beheer het beste kan worden toegepast. Hierbij gaat het om de minimale/optimale omvang van maatregelen (ha’s), hoe die ruimtelijk gelegen moeten zijn (verspreid, geconcentreerd, wel/geen verbindingen) en dit in relatie tot landschappelijke kenmerken, zoals bijv. openheid van het landschap, aanwezigheid van reservaten, gewaskeuze, bouwplan, enz.

Beleidscontext
Voor het beleid is het relevant te achterhalen aan welke randvoorwaarden een leefgebied moet voldoen om de regeling voor agrarisch natuurbeheer succesvol te laten zijn. Dit vergroot de kans dat de subsidie voor de uitvoering van beheer zal leiden tot een verbetering van de natuurwaarden in het betreffende gebied.
Dit project richt zich op open akkerland en droge dooradering. Binnen akkerland wordt onderscheid gemaakt tussen beheer gericht op broedvogels en beheer gericht op overwinterende akkervogels. Een deel van de doelsoorten heeft naast open akkerland ook opgaande elementen zoals struweel nodig. Omgekeerd hebben de doelsoorten van droge dooradering een deel van hun habitat daarbuiten liggen. Zo hebben amfibieën opgaande begroeiing nodig voor foeragering en winterverblijf en poelen voor voortplanting. Andere soorten (bijv. vogels) zijn voor hun voedsel vaak weer afhankelijk van akkerbouwgewassen (en onkruiden!) in de directe omgeving van de droge dooradering. Het gaat er nu om deze inzichten in de habitateisen te kwantificeren.

Opzet onderzoek
Het onderzoek wordt uitgevoerd met behulp van bestaande data over het voorkomen van soorten en ruimtelijke bestanden waaruit landschapskenmerken, landgebruik en beheer kunnen worden afgeleid. Een vergelijking wordt gemaakt tussen gebieden met een stabiele of toenemende stand met gebieden met een afnemende stand. Onderzocht wordt welke landschaps- en gebruikskenmerken dit verschil in trend kunnen verklaren. Dit biedt enerzijds inzicht in de randvoorwaarden waaraan een gebied moet voldoen wil het een bijdrage kunnen leveren aan een verbetering van de stand van de doelsoort(en) en anderzijds biedt het mogelijkheden om te komen tot een verdere aanscherping van het te voeren beheer gericht op effectief en efficiënt werken. Binnen de relatief ruime begrenzing van de huidige leefgebieden kan dan nauwkeuriger worden aangegeven waar de grootste kansen liggen voor effectief agrarisch natuurbeheer.

Verwachte opleverdatum: voorjaar 2019