Close Menu

Deskundigenteam Cultuurlandschap

Gebiedskenmerken die bepalend zijn voor het voorkomen van doelsoorten in het agrarisch leefgebied ‘Natte dooradering’ en hun beheereisen

De ’natte dooradering’ van het landelijk gebied, met meer dan 300.000 kilometer lengte aan sloten en duizenden poelen, is voor een groot deel in beheer bij agrariërs. Doel is om de ‘natte dooradering’ meer dan nu voor de biodiversiteit te gaan inzetten. Dit onderzoek gaat het met name om het veenweidegebied.

Probleemstelling: Op dit moment is voor veel van de afzonderlijke ANLb (en KRW) doelsoorten voor een groot deel bekend welke factoren van belang zijn. Niet bekend zijn de minimum randvoorwaarden voor een duurzaam voortbestaan van populaties van (een combinatie van) deze soorten en welke inrichtings- en beheermaatregelen nodig zijn om deze omstandigheden te realiseren. Wat mist is (1) inzicht waar de meest kansrijke gebieden liggen; (2) wat de effectiviteit is van maatregelen op systeem/polderschaal; (3a) of herstelmaatregelen voor agrarisch natuurbeheer (ANLb) en KRW voor alle doelsoorten werken en (3b) als soorten strijdige eisen stellen: hoe dat in ruimte en tijd kan worden opgelost.

Aard van het onderzoek: Stap voor stap zullen we de belangrijkste gebiedskenmerken die het voorkomen van doelsoorten en KRW-biodiversiteit in het veenweidegebied gaan bepalen, ontrafelen en vertalen naar het gewenste beheer. Een analyse van macrofaunagegevens, macrofyten­gegevens en data over bodem- en waterchemie wordt uitgevoerd om relaties hiertussen en de gewenste KRW-eisen vast te stellen; deze analyse leidt tevens tot de selectie van een aantal representatieve KRW-gidssoorten.

Af te ronden in 2021.

 

Vogelakkers –diversiteit en effectiviteit

Probleemstelling: Het pakket ‘Vogelakker’ werd in 2016 ingevoerd in het subsidiestelsel ANLb. De vogelakker is een vlakdekkende beheervorm bestaande uit stroken luzerne of klaver en stroken ‘natuurbraak’ in een verhouding van ongeveer 70% en 30% van de oppervlakte. Het luzerne of klaver deel bestaat uit een oogstbaar gewas, wat het goed inpasbaar maakt voor een agrarisch bedrijf. Hoofddoel van het pakket ‘Vogelakker’ is voedsel bieden aan muizen etende roofvogels, vooral grauwe en blauwe kiekendief. Tweede doel is het creëren van broedbiotoop voor veldleeuweriken. Hierop zijn door collectieven vele varianten ontwikkeld waarbij aan de landelijke beheereisen wordt voldaan en aanvullende (lokale) beheervoorschriften zijn toegevoegd. Het pakket ‘vogelakker’ wordt ook opengesteld in regio’s waar blauwe of grauwe kiekendieven geen doelsoorten zijn of niet tot nauwelijks voorkomen. Mogelijk richt het beheer zich hier op de veldleeuwerik, of op andere (doel)soorten zoals insecten, graspieper, patrijs en of gele kwikstaart. Maar daarvoor is het niet specifiek ontwikkeld. De effectiviteit van vogelakkers is door Wiersma et al. (2019) onderzocht op vier verschillende demo vogelakkers (2 op Texel, 1 in Groningen en 1 in Flevoland). Qua vogels lag de focus op de grauwe kiekendief en de veldleeuwerik. De effecten op andere ANLb-doelsoorten is echter nog onbekend. Desondanks heeft het oorspronkelijke concept ‘Vogelakker’ inmiddels verschillende varianten gekregen, waarvan het onbekend is of deze wel effectief zijn.

Beleidscontext: De ‘Vogelakker’ is naast stoppelland, wintervoedselakker en kruidenrijke akker(rand) een veel toegepast type beheer binnen het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (totaal 1.353 ha1 in 2019, bron: Boerennatuur). Het beheer wordt door veel collectieven gezien als een belangrijk middel voor het behalen van hun akkervogeldoelen. Bovendien maakt het pakket een substantieel onderdeel uit van het totale budget dat wordt besteed aan akkervogelbeheer (± €3 miljoen).

Doel van het onderzoek: Dit onderzoek heeft als hoofddoel om (1) een overzicht te krijgen van de verschillende beheervarianten van vogelakkers en welke doelsoorten hieraan zijn verbonden; (2) inzichtelijk maken hoe deze beheervormen bijdragen aan het opheffen van de bottlenecks van de soorten; (3) het vaststellen van de wijze waarop in de praktijk uitvoering wordt gegeven aan het beheer en wat de gerealiseerde habitatkwaliteit is; (4) in beeld brengen welke doelsoorten daadwerkelijk gebruik maken van de verschillende beheervormen.

Af te ronden in 2023.