Close Menu

Deskundigenteam Cultuurlandschap

Invloed greppel-plasdras op kuikenoverleving kievit

Dit onderzoek heeft het effect van greppel-plasdras situaties op overleving van kievitkuikens onderzocht. Dit is zowel met veldonderzoek gedaan als met een analyse van de dichtheid van de vegetatie in en rondom de greppel-plasdrassen. Vooral die laatste analyse heeft inzicht gegeven in hoe belangrijk het is dat de greppel-plasdras in voldoende mate de vegetatiegroei vertraagd. Hoe meer dit lukt in vergelijking met de omgeving hoe aantrekkelijker de greppel-plasdrassen worden voor kuikens van kieviten. De additionele vraag is in hoeverre greppel-plasdrassen invloed hebben op CO2-emissie.

Plas-dras in een setting met goede habitatkwaliteit. Het water loopt iets over de greppelrand; een zone van circa 3-5 m aan weers-  zijden is plasdras.

Probleemstelling: In weidevogelgebieden is de vochttoestand van de bodem een belangrijk aandachtspunt. Weidevogels zijn gebaat bij een hoge bodemvochtigheid; vanuit de bedrijfsvoering gaat de aandacht juist uit naar een goed drooggelegde bodem. Hoe dit te combineren? De aanleg van greppel-plas-drassen lijkt deze tegenstelling te kunnen overbruggen. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de dichtheden aan weidevogelgezinnen hier relatief hoog is. Greppel-plasdrassen nemen een klein areaal in (doorgaans een perceel of een deel ervan) en kunnen daarom goed in de bedrijfsvoering worden ingepast. De vraag is of dit ook leidt tot meer vliegvlugge jongen en daarmee tot een meer duurzame populatie.

Aard van het onderzoek: Om het effect van greppel plasdrassen vast te stellen zullen met behulp van veldonderzoek situaties met en zonder plasdras paarsgewijs worden vergeleken. De aanwezigheid van gezinnen en de overleving van de kuikens wordt met behulp van radiozenders en aanvullende observaties vastgesteld. Het onderzoek heeft een landelijke dekking: verspreid over Nederland zullen drie gebieden worden onderzocht; in totaal worden 60 gezinnen gevolgd, waarvan het vrouwtje en één van de jongen worden gezenderd. Naast dit veldonderzoek is de hierboven al eerder beschreven analyse van de vegetatiedichtheid uitgegevoerd met behulpt van satellietbeelden. 

Uitvoerders: Wageningen Environmental Research, Altenburg & Wymenga en Sovon. 

 

Het effect van omgevingsvariabelen op soorten van het open akkerland en droge dooradering

De uitkomsten van de analyses in dit onderzoek laten zien dat soorten behoorlijk verschillen in de eisen die zij aan hun leefomgeving stellen. Dat geldt ook voor de soorten binnen de onderscheiden groepen. Tevens blijkt voor bijna elke soort te gelden dat niet de aanwezigheid van een aantal omgevingsvariabelen in de directe nabijheid van belang is, maar dat juist de kenmerken in een ruimere omgeving er toe doen. Eigenschappen op landschapsniveau zijn kennelijk belangrijke factoren voor zowel het aantal soorten als de aantallen per soort. Dit betekent dat beheer ruimer moet worden gezien dan het nemen van maatregelen op lokaal niveau en dat naast beheer ook de inrichting van het landschap bepalend is voor het succes van beheermaatregelen. Hier zou meer aandacht voor moeten komen.

Probleemstelling: Binnen het nieuwe stelsel Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb2016) worden beheermaatregelen uitgevoerd binnen door de provincie begrensde leefgebiedtypen. De maatregelen zijn gericht op habitatverbetering van doelsoorten.
Op basis van de ecologische eisen van doelsoorten aan hun leefomgeving, is een set van maatregelen ontwikkeld om het leefgebied te optimaliseren. Voor elk leefgebied zijn de maatregelen vertaald naar beheerpakketten. Een belangrijke vraag die nog niet beantwoord is, is op welke ruimtelijke schaal en in welke configuratie het beheer het beste kan worden toegepast. Hierbij gaat het om de minimale/optimale omvang van maatregelen (ha’s), hoe die ruimtelijk gelegen moeten zijn (verspreid, geconcentreerd, wel/geen verbindingen) en dit in relatie tot landschappelijke kenmerken, zoals bijv. openheid van het landschap, aanwezigheid van reservaten, gewaskeuze, bouwplan, enz.

Aard van het onderzoek: Het onderzoek wordt uitgevoerd met behulp van bestaande data over het voorkomen van soorten en ruimtelijke bestanden waaruit landschapskenmerken, landgebruik en beheer kunnen worden afgeleid. Een vergelijking wordt gemaakt tussen gebieden met een stabiele of toenemende stand met gebieden met een afnemende stand. Onderzocht wordt welke landschaps- en gebruikskenmerken dit verschil in trend kunnen verklaren. Dit biedt enerzijds inzicht in de randvoorwaarden waaraan een gebied moet voldoen wil het een bijdrage kunnen leveren aan een verbetering van de stand van de doelsoort(en) en anderzijds biedt het mogelijkheden om te komen tot een verdere aanscherping van het te voeren beheer gericht op effectief en efficiënt werken. Binnen de relatief ruime begrenzing van de huidige leefgebieden kan dan nauwkeuriger worden aangegeven waar de grootste kansen liggen voor effectief agrarisch natuurbeheer.

Uitvoerders: Wageningen Environmental Research, Altenburg & Wymenga en Sovon.