Close Menu

Nat zandlandschap

Typering
Het natte zandlandschap omvat de natte delen van het hoger gelegen deel van Nederland, ook aangeduid als dekzandlandschap of pleistocene zandgronden. Dekzand draagt die naam omdat het als een deken oudere afzettingen bedekt. Dit zandlandschap beslaat grote delen van oostelijk en zuidelijk Nederland. Het natte deel daarvan wordt gerekend tot het nat zandlandschap (met uitzondering van de beekdalen). Bij het natte zandlandschap horen zowel natte gebieden met zandbodems, als natte gebieden waar veen is afgezet op de zandondergrond.

Natte zandlandschappen komen voor op relatief lage, vochtige plekken die midden in en langs de randen van droge zandlandschappen liggen. Deze natte plekken in drogere omgeving kunnen op twee manieren tot stand komen:

  • laaggelegen plaatsen waar grondwater naartoe stroomt vanuit een groter grondwatersysteem; dit grondwater bereikt het maaiveld of de wortelzone.
  • plaatsen waar regenwater en lokaal grondwater blijft staan (stagneert) bovenop een waterkerende laag in de ondiepe ondergrond. In dat geval spreken we over een schijngrondwaterspiegel.

De droge gedeelten van de zandgebieden vormen het Droog zandlandschap. De beekdalen worden apart beschreven als Beekdallandschap.

Beheertypen
Beheertypen die in Nat zandlandschap voorkomen zijn:

Ontstaansgeschiedenis
Het nat zand landschap vindt zijn oorsprong voornamelijk in de laatste ijstijd, toen Nederland onderdeel was van een poolwoestijn. In deze tijd is het dekzand afgezet. Water en wind verplaatsten grof en fijn zand, leem en grind waardoor ruimtelijke verschillen in bodemsamenstelling ontstonden. De stromingsrichting van het water in de oppervlakkige stromingsstelsels van de poolwoestijn bepaalde de oriëntatie van de landschapsstructuren, de afzettingen (sedimenten) en de verschillen in doorlatendheid in verschillende richtingen. Omdat tijdens de laatste ijstijd verschillende warmere perioden voorkwamen, traden de processen van wegslijting en afzetting van materiaal door water herhaaldelijk op. In die warmere perioden kon daarnaast veen worden gevormd, dat later de hydrologie weer beïnvloedde. Omdat afzetting van materiaal door water soms stopte en dan weer opnieuw begon, werden lagen van verschillende korrelgrootte afgezet. Daarom vertoont de ondergrond nu grote verschillen in doorlatendheid. Het historische samenspel van wind, water en temperatuur zijn bepalend geweest voor veel van de huidige terreincondities. Deze uiteenlopende condities geven een brede schakering aan typen natuur.

In de afgelopen eeuwen en vooral in de laatste eeuw is de omvang van de natuur van natte zandlandschappen sterk afgenomen door drainage, beregening en waterwinning en door ontginning en turfwinning. Een aantal van deze natte zandlandschappen vormt geïsoleerde natuurgebieden die zijn uitgespaard bij vroegere ontginningen. Deze gebieden omvatten in de regel kleinschalige natte heiden en vennen.