Close Menu

Heuvellandschap

Het Heuvellandschap omvat de hogere delen van Zuid-Limburg en varieert in hoogte tussen 60 en 323 meter boven NAP. Het is een plateaulandschap, waarin de Maas terrassen heeft gevormd en dat wordt doorsneden door beekdalen en droge dalen. Vanuit de dalen oogt het landschap zeer reliëfrijk, op de plateaus daarentegen juist verrassend vlak. De randen van de plateaus en terrassen worden gevormd door veelal steile hellingen, waarin het onderliggend gesteente tevoorschijn komt (dagzoomt) dat bepalend is voor de vegetatie. Er zijn drie gradiënten op de hellingen: in het zuiden is kalksteen overheersend, meer noordelijk de löss en in het zuidoosten het vuursteenveluvium. Voor de kalkmoerassen, die vooral voorkomen in het dal van de Geleenbeek en op het Plateau van Vaals, is deze ondergrond zeer bepalend.

De plateaus en de dalen in Zuid-Limburg zijn buiten steden en dorpen nu vrijwel geheel in landbouwkundig gebruik. De huidige natuurgebieden liggen vooral op de moeilijk te ontginnen steile hellingen en een smalle strook rond de beken. Op het vuursteeneluvium waren ook de vlakke delen te weinig productief voor intensief landbouwkundig gebruik, waardoor er uitgestrektere bossen liggen. De begroeiing op de hellingen bestaat afhankelijk van het beheer uit hellingbos of grasland, al dan niet met een schraal karakter. In de laatste decennia wordt op niet al te steile hellingen ook akkerbouw bedreven, wat erosie veroorzaakt.

Het landschapstype Heuvellandschap sluit met zijn geologie en bodemgesteldheid meer aan bij de Midden-Europese heuvel- en berggebieden dan bij andere Nederlandse landschappen. De grote variatie in de geologische opbouw zorgt voor grote verschillen in de ruimtelijke positie van bron- en kwelgebieden in het landschap, de dynamiek van het grondwater, de chemische samenstelling van het water en de gevoeligheid voor verdroging en eutrofiëring. De bijzondere natuurwaarde van het Heuvellandschap komt voort uit de grote variatie in standplaatscondities op diverse schaalniveaus, als gevolg van variatie in bodemmateriaal, reliëf en gebruiksvorm.

Beheertypen
De volgende beheertypen kunnen voorkomen in het landschapstype Heuvellandschap:

Ontstaansgeschiedenis
De geologische afzettingen waaruit het Heuvellandschap is opgebouwd, stammen uit vier verschillende geologische hoofdperioden. In het Carboon werden slecht doorlatende afzettingen van zandsteen, schalies en steenkool afgezet. In het Krijt volgden afzettingen van zand en klei in de Akener zanden, Vaalser groenzanden en van kalksteen in de de Gulpense kalken, de Kunrader kalken en de Maastrichtse kalken. Tijdens het Tertiair werden kleien en zanden afgezet van zuidoost naar noordwest. Tijdens de laatste ijstijden werd overal, met uitzondering van het Eiland van Ubachsberg, grove rivierzanden en grinden afgezet.

Hierdoor ontstond een plateaulandschap met dalen wat tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, grotendeels met löss werd bedekt. De dikte van het lösspakket varieert sterk en kan plaatselijk tot 15 meter dik zijn. Hierop groeiden uitgestrekte loofbossen. Na de introductie van landbouw rond 4.400 voor Christus vonden de eerste ontbossingen plaats, waarbij de lagere plateaus aan de randen van beekdalen het eerst werden ontgonnen. In de Bronstijd en in de Romeinse tijd werd begonnen met de ontginning van de plateaus. Na de Romeinen groeide de bossen weer dicht. In de periode 1000-1300 na Christus is opnieuw sprake van een sterke ontbossing van hellingen en plateaus ten behoeve van de landbouw. Gemengde akkerbouw met boomgaarden en schraallanden op de hellingen en beekdalen is tot begin van de negentiende eeuw het dominante grondgebruik in het Heuvellandschap.

In de twintigste eeuw werden de plateaus en terrassen steeds intensiever gebruikt door de landbouw, met veeteelt op de hellingen en akkers op minder steile hellingen en de plateaus. Daarnaast heeft de groeiende industrialisering en verstedelijking invloed op de waterhuishouding van vooral de beekdalen. In de beken van het Heuvellandschap werden vanaf de late middeleeuwen watermolens geplaatst voor de industrie. Toen de watermolens rond 1900 in onbruik raakte, daalde vooral in gestuwde delen het waterpeil in de beken. Beken werden ook geheel of gedeeltelijk gekanaliseerd en overkluisd, terwijl bronnen en kwelplekken werden dichtgegooid.

Twee kleine landschapselementen zijn typisch voor het Heuvellandschap: holle wegen en graften. Holle wegen zijn wegen die diep in hellingen zijn ingesleten, omdat de zachte ondergrond door het menselijk gebruik erodeerde. Graften zijn steilranden of walletjes evenwijdig aan hellingen met graslanden of akkers – vaak begroeid met struiken en nu bomen – die vroeger waarschijnlijk werden aangelegd om erosie te voorkomen na ontbossing. In de twintigste eeuw zijn veel landschapselementen verdwenen door de intensivering van de landbouw.