Close Menu

Beekdallandschap

Het beekdallandschap in Nederland wordt gevormd door relatief laaggelegen gebieden aan weerszijden van beken, en de omringende hogere zandgronden. Beekdalen zijn bij uitstek gradiëntrijke landschappen, met veel variatie dus, en daarmee waardevol voor de natuur. Het omliggende landschap, het reliëf en de voeding door het grondwater bepalen het karakter van het beekdal. Factoren als kwel (lokaal of regionaal), kweldruk, inundatie en stagnatie van water spelen daarbij een belangrijke rol. Het karakter van het beekdallandschap kan sterk variëren. Een brongevoede beek in het stuwwallandschap verschilt bijvoorbeeld sterk van een beek gevoed door lokale kwel in glooiend dekzandgebied of een middenloop, gevoed door regionale kwel.

De beekdalen werden tot voor kort voornamelijk gebruikt als hooiland, in het algemeen in een zeer kleinschalig landschap. Restanten van het eeuwenoude beekdallandschap zijn op diverse plaatsen nog goed herkenbaar. Een centrale plek daarbij heeft de beek. In de laaggelegen gebieden treedt veelal voeding met grondwater op, net als in de beken zelf. Mede daardoor zijn de bodems hier veel minder zuur dan in de hoger gelegen gebiedsdelen, van waaruit ze worden gevoed. In diverse beekdalen in Limburg, Gelderland en Twente treedt ook grondwater uit via bronnen.
Tot het beekdallandschap rekenen we ook diffuse afvoersystemen, grote vochtige, vaak moerassige gebieden waarin beken ontbreken, maar waar wel de karakteristieke beheertypen van beekdalen voorkomen. Veel van deze gebieden in Overijssel en in de Achterhoek, zijn door ontginning verdwenen, maar lokaal vinden we nog restanten. 

De grote variatie maakt het beekdallandschap uniek. Naast lokale gradiënten als gevolg van kleine verschillen in onder andere reliëf, grondsoort en doorlatendheid, vinden we er dwars gradiënten, loodrecht op de afvoerrichting van het water en lengtegradiënten. In stroomafwaartse richting verschuift de voeding door grondwater van kwel van lokale oorsprong, naar kwel van regionale oorsprong. Daarbij wordt het water vaak afgevoerd door de beek, met stroomafwaarts een toenemende kans op inundatie vanuit de beek. 

De beek heeft in de loop van de tijd een belangrijke functie gekregen in de afvoer van water. De eisen die voortkomen uit de afvoerfunctie zijn vaak moeilijk in evenwicht te brengen met de eisen die de natuur aan beken en beekdalen stelt.

Het beekdallandschap wordt meestal begrensd door het ‘Droog zandlandschap' of het ‘Nat zandlandschap'. Benedenstrooms grenst het vaak aan het ‘Rivierenlandschap'.

Beheertypen
De natuur in dit landschapstype bestaat grofweg uit moeras, grasland, en natuurbos, plus beheertypen van open water. Typische beheertypen van het Beekdallandschap zijn :

Ook kan voorkomen (maar meer vertegenwoordigd in andere landschapstypen):

Ontstaansgeschiedenis

IJsafzettingen
We vinden het Beekdallandschap in gebieden waar afzettingen van de ijstijden uit het Pleistoceen of eerdere periodes aan de oppervlakte te vinden zijn, in het (noord)-oosten en zuiden van Nederland. In tegenstelling tot het (noord)-westen van ons land zijn deze afzettingen hier niet volledig bedekt door dikke lagen van jongere rivier-, zee- en veenafzettingen uit het Holoceen. Wel zijn in het beekdallandschap lokaal holocene beek- en veenafzettingen op de oudere afzettingen te vinden.

Het gebied waar Nederland ligt was tijdens de koudste periode van de voorlaatste ijstijd het Saalien voor een gedeelte bedekt met een ijstong. Doordat het ijs een dikke aardlaag voor zich uitschoof, ontstonden stuwwallen, waarvan de meest zuidelijke bij Nijmegen liggen. In Noord-Nederland werd een dikke laag keileem afgezet. In de laatste ijstijd (Weichselien) was Nederland een toendralandschap waarvan in de zomers alleen de bovenlaag ontdooide. Water en wind verplaatsten grof en fijn zand, leem en grind, waardoor ruimtelijke verschillen in bodemsamenstelling ontstonden. Tegen het einde van deze ijstijd werden in het zuiden en oosten hoge zandruggen gevormd. Deze ruggen strekken zich uit van het noordoosten naar het zuidwesten. Tussen de stuwwallen en deze zandruggen ontstonden later de beekdalen.

Verstopping en veenvorming
Omdat tijdens de ijstijd verschillende warmere perioden voorkwamen, traden herhaaldelijk processen van wegslijting en afzetting van materiaal door water op. Omdat afzetting van materiaal door water soms stopte en dan weer opnieuw begon, werden lagen van verschillende korrelgrootte afgezet. De ondergrond heeft hierdoor grote verschillen in doorlatendheid, ook raakte het landschap plaatselijk verstopt. In warmere perioden ontstond in de natter wordende laagtes op grote schaal veen, dat later de hydrologie weer beïnvloedde. Het water stroomde van hoger naar lagergelegen delen van het landschap via de ondergrond of via natuurlijk gevormde beken.

Van doorstroommoeras naar meanderend beekstelsel
Een deel van die venige laagten die tussen de eerdergenoemde zandruggen zijn ontstaan, wordt als beekdalen aangeduid. Hier treedt water uit afkomstig vanuit de hogere zandgronden. We vinden hier meestal wat voedselrijkere typen van veen of resten van zulke venen. Echte beken zijn hier niet altijd aanwezig geweest. In vrij veel van die oorspronkelijke venen zijn geen oude beekafzettingen of andere sporen van beken aanwezig. Daar werd in het verleden het water voornamelijk via de flexibele bovenlaag van het veen afgevoerd; het waren zogenoemde doorstroom-moerassen. De meanderende beekstelsels die wij nu kennen, zijn veelal ontstaan doordat boeren deze venen begonnen te ontwateren voor grasproductie.

De ontgonnen gronden langs de beek werden gebruikt als hooiland. Ze werden begrensd door de hoger gelegen zandgronden, oorspronkelijk waren dat vooral droge heidegronden. Akkers werden aangelegd op de zandgronden die het dichtst aan het beekdal grensden. Ze waren voor een succesvolle oogst afhankelijk van de jaarlijks aan te voeren mest van de dieren die onder meer voor dat doel werden gehouden. 
Lees meer in het Rapport Integraal beekherstel [zomer '17 gereed]

Meer menselijke ingrepen
Door de aanleg van sloten en greppels, drainage, verharding van het oppervlak in bebouwd gebied, verbreding en verdieping van de beek is de drainage, de afvoer van water, via beken sterk versneld. Dit heeft geleid tot verdroging en verzuring van het omliggende landschap.