Pad: Ecohydrologie / Standplaats, vegetatie en landschap / Water en bodem / Grondwatertrappen

Grondwatertrappen

De in Nederland meest gebruikte bodemkaarten (schaal 1:50.000 van Stiboka) geven informatie over de bovenste 1,2 m van het profiel, inclusief de vochttoestand en de grondwaterstand. Verder bevatten ze gegevens over de textuur van het moedermateriaal, de dikte van venige lagen, de aanwezigheid van kleidekken en de verdeling van ijzer en humus in het profiel. De Stiboka-kaarten zijn meestal gebaseerd op gedetailleerdere bodemkartelingen (schaal 1:10.000), die zijn uitgevoerd in het kader van ruilverkavelingen (gemaakt aan de hand van een eenmalige kartering in het veld en interpretatie).

Diepte en dynamiek van de grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld wordt sinds jaar en dag aangeduid met grondwatertrappen (Gt). Grondwatertrappen worden op de bodemkaarten van nat naar droog aangeduid met de Romeinse cijfers I-VII (zie Tabel 2‑3 en f2‑25), en zijn gebaseerd op de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand (afgekort met GHG en GLG).


Tabel 2-3 Indeling in grondwatertrappen (Gt's).



Er zijn ook andere manieren om de grondwaterstand van een bepaalde bodem te karakteriseren:

Men karakteriseert standplaatsen ook vaak aan de hand van een klassenindeling in termen van nat, zeer nat, matig droog. Als ijkpunt voor zo'n indeling wordt meestal één of enkele van de bovenstaande gemiddelden gebruikt. Voor droogtegevoelige vegetatietypen wordt ook gebruik gemaakt van de theoretisch optredende periode met droogtestress. Aangezien van veel associaties of subassociaties geen of weinig metingen beschikbaar zijn, wordt bij het invullen van zulke overzichten gebruik gemaakt van expertkennis, interpolatie tussen plantengemeenschappen of indicatiewaarden (zie Indicatie).

Terug naar de grondwatertrappen. In Nederland worden grondwaterstanden op de 14e en de 28e van elke maand gemeten. Per jaar vinden dus in beginsel 24 metingen per meetpunt plaats. GHG en GLG worden berekend op basis van reeksen van zulke waarnemingen. Per hydrologisch jaar (1 april - 31 maart) worden de drie hoogste en de drie laagste standen bepaald. Van elk drietal wordt het gemiddelde berekend, respectievelijk HG3 en LG3. De GHG is het gemiddelde van de HG3-, de GLG het gemiddelde van de LG3-waarden van minimaal acht hydrologische jaren. De grondwatertrappen zijn op basis van GHG en GLG gedefinieerd (zie Tabel 2-3). Van deze indeling zijn in de loop der jaren verschillende varianten verschenen. De meetperiode van acht jaar is in zwang gekomen doordat men ooit, bij het opstellen van de indeling van grondwatertrappen, beschikte over meetreeksen van acht jaar. Inmiddels is duidelijk dat soms langere reeksen nodig zijn om betrouwbare gemiddelden te berekenen.

Omdat er meestal te weinig metingen van de grondwaterstand beschikbaar zijn, karteert men in de praktijk op basis van

De hydromorfe kenmerken (watergerelateerde kenmerken van de bodem) leest men doorgaans af van bodemmonsters van verschillende diepten die via een eenvoudige handboring naar boven zijn gehaald.

Doordat GHG en GLG vaak worden geschat op basis van profielkenmerken, zijn Gt's op bodemkaarten niet altijd even betrouwbaar. Profielkenmerken kunnen namelijk fossiel zijn. Ze zijn meestal het resultaat van trage processen en passen zich niet snel aan nieuwe omstandigheden aan. Het komt geregeld voor dat de waterhuishouding van een gebied in de loop van de tijd niet constant is geweest. Peilen van open water zijn verhoogd of verlaagd, er zijn watergangen bijgemaakt of juist gedicht, een nabije grondwaterwinning is gestopt of uitgebreid, enzovoort. Bij gebruik van een bodemkaart voor het inschatten van het grondwaterstandregime, is het daarom aan te raden een zo recent mogelijke uitgave te nemen, en de kaart met gepast wantrouwen te gebruiken.

De indeling in Gt's is ontworpen voor landbouwkundige toepassingen. Voor natuurbeheervraagstukken is deze eigenlijk te grof. Vooral in de natte Gt's (I, II en II*) is een nadere uitwerking nodig. Bovendien blijken natuurlijke vegetaties niet zozeer te zijn gecorreleerd met GHG en GLG maar met de GVG, de gemiddelde grondwaterstand aan het begin van het groeiseizoen. Daarvoor wordt de datum 1 april aangehouden. Een grove empirische relatie is:
                                       


f2-25 De bodem van Nederland: verdeling van Grondwatertrappen

Literatuur:

 

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website