Pad: Ecohydrologie / Standplaats, vegetatie en landschap / Water en bodem / Bodemvorming en grondwater

Bodemvorming en grondwater

Bodemkundigen kunnen aan de bodem aflezen hoe diep en hoe dynamisch de grondwaterstand was tijdens de bodemvorming. Gleygronden bijvoorbeeld, ontstaan als de grondwaterstand nooit ver (<0,4 m) onder het maaiveld ligt. Door reductie van ijzerverbindingen in de zone die permanent onder de grondwaterspiegel ligt, ontstaat de typische blauwgrijze kleur van deze zone. In de zone die soms boven en soms onder de grondwaterspiegel ligt, wisselen oxidatie en reductie elkaar af. Dat uit zich in het voorkomen van bruine (ijzer-) en soms zwarte (mangaan-) vlekken. In nog drogere gronden ligt boven deze vlekkenzone een zone die zich permanent boven de grondwaterspiegel bevindt. Daarin overheersen bruine of gele tinten die wijzen op permanent oxiderende omstandigheden (door de grondsamenstelling ontbreken bruine tinten echter in zeeklei).

Profielkenmerken als deze verraden de ligging van het grondwater ten opzichte van maaiveld. Omdat die kenmerken het gevolg zijn van langzaam verlopende processen, kan een beoordeling uitsluitend op grond van profielkenmerken bedrieglijk zijn. Recente veranderingen in het grondwaterstandregime komen daarin namelijk niet tot uitdrukking.

Veen duidt altijd op natte omstandigheden tijdens de bodemvorming. Veen ontstaat als de productie van organisch materiaal sneller gaat dan de afbraak. Dat gebeurt als planten of plantendelen na hun afsterven geheel of gedeeltelijk gedurende een belangrijk deel van de tijd onder water terechtkomen. Ze worden dan min of meer van de lucht afgesloten. Als vervolgens het zuurstofgehalte terugloopt (de diffusiesnelheid van zuurstof in water is zeer gering) valt de afbraak van organisch materiaal stil. Als veen wordt ontwaterd, treedt het afbraakproces alsnog op. Dat leidt tot afbraakverliezen tot 7 mm veen per jaar bij verlagingen van de grondwaterstand met 50 cm en meer. Dat is nog niet alles. Er treedt ook maaivelddaling op doordat het veen water, en dus volume, verliest.

Bij het afbraakproces, ook wel mineralisatie genoemd, komen voedingsstoffen vrij, vooral nitraat. In veengebieden volgt het maaiveld vaak de zomerse grondwaterstand, omdat de mineralisatie het hoogst is bij deze lage stand. In laagveengebieden, waar het slootpeil 's zomers kunstmatig hoog wordt gehouden, kan dit leiden tot een holle (panvormige) maaiveldligging, met het diepste punt in het midden van het perceel (zie f2-24). Deze zogenaamde ‘pannigheid' wordt nog versterkt door het deponeren van slootbagger op de perceelsranden. In extreme gevallen (vooral bij flinke wegzijging), moet men een extra afvoergreppel graven om plasvorming op het midden van het perceel te voorkomen.



f2-24 Luchtfoto van enkele pannige veenpercelen nabij het natuurgebied Botshol. In ieder perceel is duidelijk een greppel te zien, die via een dwars daarop aangebrachte greppel afwatert op een sloot.


Literatuur:

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website