Pad: Ecohydrologie / Van analyse naar maatregelen / Monitoring / Bemonsteringsstrategie

Bemonsteringsstrategie

Ingreep-effectketens kunnen alleen gebiedsspecifiek worden uitgewerkt. De meeste gebieden zijn qua vegetatie en bodem heterogeen. Bij het ontwerp van een meetnet dient men rekening te houden met deze heterogeniteit door het gebied onder te verdelen in standplaatstypen c.q. vegetatietypen. Daartoe worden de ingreep-effectketens gekoppeld aan ecotopen of ecotoopcomplexen die met behulp van een ESA kunnen worden onderscheiden.
Een ecotoop is een ruimtelijke eenheid, waarbinnen dusdanig uniforme standplaatscondities heersen dat slechts één (sub)associatie voorkomt of voor kan komen (bijvoorbeeld een hooilandperceel met de associatie van Waterkruiskruid en Trosdravik). Een ecotoopcomplex is een ruimtelijke eenheid waarbinnen de standplaatscondities op zeer kleine schaal verschillen, zodat meerdere (nauw verwante) (sub)associaties voorkomen of voor kunnen komen in een regelmatig patroon (bijvoorbeeld een natte kern in een hoogveen met een bult-slenkcomplex met de associatie van Veenmos en Snavelbies en de associatie van Dopheide en Veenmos). In een monitoringsproject zal bemonstering in principe per ecotoop of ecotoopcomplex moeten plaatsvinden. Bij de stratificatie kan een vegetatiekaart een belangrijk hulpmiddel zijn. Aangezien vegetatieontwikkeling en bodemvorming het resultaat zijn van dezelfde landschapsecologische factoren zullen bodemkaarten en vegetatiekaarten globaal dezelfde patronen laten zien. Voor stratificatiedoeleinden zijn beide dus bruikbaar.
In de gehanteerde bemonsteringsstrategie moeten de effecten van een ingreep kunnen worden onderscheiden van variatie als gevolg van bijvoorbeeld

Daarom moet er zowel vóór als ná de ingreep worden gemeten. Ook moet er ook worden gemeten in een vergelijkbaar gebied zonder ingreep (controle).

Literatuur:

 

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website