Pad: Ecohydrologie / Van analyse naar maatregelen / Monitoring / Monitoring: afwegingen en keuzes

Monitoring: afwegingen en keuzes

Verschillende soorten variabelen
Betrouwbaarheid van de koppeling tussen vegetatie en abiotische condities
Literatuur


Verschillende soorten variabelen

Een handig hulpmiddel bij het formuleren van doelen en het kiezen van te monitoren parameters is het onderscheiden van ingreepvariabelen, tussenvariabelen en doelvariabelen, en het rangschikken daarvan in een ingreep-effectketen (zie de figuur hieronder (f5-2)):

Bij monitoring moeten altijd veranderingen in de abiotische factoren en in de vegetatie worden gevolgd - twee totaal verschillende soorten van activiteit. In de praktijk leidt dit tot twee verschillende meetprogramma's. Het monitoringsysteem moet zodanig ingericht zijn dat de gegevens uit beide meetprogramma's goed en vlot gekoppeld kunnen worden. De locaties van de monsterpunten moeten mede op die verwerkbaarheid zijn vastgesteld. Aan het eind van deze paragraaf gaan we hier dieper op in.


f5-2 Relatieketen tussen variabelen uit verschillende compartimenten bij integrale monitoring. Bron: Kemmers et al. 1995

Voor de selectie van variabelen voor monitoring spelen wetenschappelijke en praktische argumenten een rol. Wetenschappelijke argumenten komen voort uit de behoefte om meer inzicht te verkrijgen in de processen die de verschillende variabelen beïnvloeden. Praktische argumenten hebben vooral betrekking op de financiële en technische haalbaarheid.
Uit een evaluatie van een aantal anti-verdrogingsprojecten is gebleken dat in de praktijk vaak alleen grondwaterstanden (ingreepvariabele) en vegetatie (doelvariabele) worden gemonitord, vanwege de hoge kosten die een uitgebreidere monitoring met zich meebrengt. Volgens sommigen zijn voor monitoring in principe slechts ingreepvariabelen en eindvariabelen van belang. Dit resulteert echter een black-box benadering, waarbij procesmatige effecten niet in beschouwing kunnen worden genomen. Een probleem hierbij kan bijvoorbeeld zijn dat soorten zich nog niet vestigen omdat de zaadbank leeg is of omdat soorten naijlen, terwijl het milieu wel geschikt is. Om de effectiviteit van het beheer te kunnen evalueren zijn in dit geval gegevens nodig over tussenvariabelen.
Ook vanuit wetenschappelijk oogpunt is het wenselijk om de monitoring uit te breiden met een aantal tussenvariabelen. Daardoor wordt namelijk verdieping van de proceskennis mogelijk bijvoorbeeld op het punt van de samenhang tussen verschillende tussenvariabelen in de causale ingreep-effectketen. Als dergelijke relaties bekend zijn, wordt het mogelijk om de effecten van maatregelen beter in te schatten.
Een ESA biedt in principe ook inzicht in de ketens van oorzaak en effect in een gebied. Ook de uitkomsten van een ESA zijn dus goed bruikbaar bij het selecteren van ingreepvariabelen, tussenvariabelen en doelvariabelen.


Betrouwbaarheid van de koppeling tussen vegetatie en abiotische condities

Bij de keuze van de locaties van de monsterpunten speelt de vraag welke afstand van vegetatieopname tot abiotisch meetpunt toelaatbaar is om de gegevens nog op betrouwbare wijze te kunnen koppelen. Die toelaatbare afstand hangt af de mate van detaillering van de beschrijving van de vegetatie. Op het niveau van de plantengemeenschap dient die afstand kleiner te zijn dan bijvoorbeeld op het niveau van de ecotopen. Als de vegetatie op niveau van de plantengemeenschap beschreven wordt zou de pragmatische eis kunnen luiden dat de peilbuis binnen het areaal van de plantengemeenschap ter plaatse dient te liggen. Voor wat betreft de grondwaterstand zal deze eis soms aan de strenge kant zijn, omdat deze vlakbij de plantengemeenschap weinig of niet zal afwijken.
Een andere benadering is om te kijken naar de verwachte ruimtelijke variatie van een parameter. Stellen we bijvoorbeeld de eis dat de hoogte van de grondwaterspiegel (ten opzichte van referentieniveau, bijvoorbeeld NAP) met een nauwkeurigheid van n meter moet worden gemeten, dan volgt de maximale bemonsteringsafstand a uit de grondwatergradiënt. In percelen is deze gradiënt het sterkst vlakbij de sloten en het zwakst in het midden van het perceel. Gaan we uit van een freatisch watervoerend pakket en evenwijdige sloten, dan kan als schatting voor de maximale bemonsteringsafstand worden gebruikt (gebaseerd op de theorie van Hooghoudt):

waarin:
a              =             maximale bemonsteringsafstand (m)
x              =             afstand tot het midden van het perceel (m)
n             =             vereiste meetnauwkeurigheid (m)
kD           =             doorlaatvermogen freatisch pakket (m2/d)
R             =             grondwateraanvulling (m/d)

In zeer natte tijden (vaststelling GHG) kunnen we bijvoorbeeld uitgaan van een maatgevende aanvulling van 6 mm/d. Bij een doorlaatvermogen van bijvoorbeeld 200 m2/d en een vereiste meetnauwkeurigheid van 1 cm geldt dan midden op het perceel (dus met x is 0 ) een afstand van:

en op 50 m vanaf het perceelsmidden een bemonsteringsafstand van:

en op 200 m afstand geldt:

Grondwaterstanden worden altijd weergegeven ten opzichte van maaiveldhoogten. Maaiveldhoogten worden uitgedrukt ten opzichte van NAP.
Binnen een laagveengebied, met de daarin aanwezige smalle legakkers en drijvende kraggen, heerst overal nagenoeg dezelfde grondwaterstand (overigens niet het geval in vast veen). Een afstand van a=100 m bij n=1 cm lijkt daar toelaatbaar. Als de grondwaterspiegel het maaiveld aansnijdt, zoals in een beekdal, is de afstand veel kleiner. Gaan we bijvoorbeeld uit van een maaiveldgradiënt van 10%, dan komen we met een vereiste nauwkeurigheid van 1 cm uit op een afstand van slechts 10 cm!
Het is moelijker om een relatie te leggen tussen de variatie in grondwaterkwaliteit en vereiste bemonsteringsdiepte. Onze inschatting is dat de monsters in terreinen met een sterke verticale stratificatie in waterkwaliteit dienen te worden ontleend aan peilbuizen met op verschillende diepten een filter van ten hoogste 10 cm lengte. In andere terreinen (hoogvenen, voedselrijke graslanden) kan met een enkel filter van grotere lengte, bijvoorbeeld 50 cm, worden volstaan.


Literatuur:

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website