Pad: Ecohydrologie / Ecohydrologische systeemanalyse / ESA van Nederlandse landschappen / Hoogvenen

Hoogvenen

Typering
Bedreigingen via het grondwater
Publicaties en modellen

 


Typering

Hoogvenen zijn landschappen die alleen door neerslagwater worden gevoed. De huidige hoogvenen zijn in de loop van vele duizenden jaren ontstaan; in Nederland begon de hoogveengroei tijdens het Atlanticum (6000-3000 B.C.). In een onaangetast hoogveen bestaat de vegetatie grotendeels uit veenmossen (Sphagnum spec.) en heideachtigen. Veenmos voorziet in zijn stikstofbehoefte door ammonium uit neerslag af te breken. De protonen die hierbij vrij komen zorgen voor een verzuring van het milieu tot een pH van ten laagste ongeveer 3.0. De zure omstandigheden remmen de afbraak van organische stof en bevorderen zo de veengroei.
De veenmossen vormen in een hoogveen een microreliëf van bulten en slenken (zie hieronder, f4-23). De bulten steken gemiddeld tien tot dertig centimeter boven de slenken uit en hebben een doorsnede van een halve meter tot zes meter. Van de weinige hogere planten die in dit arme en zure milieu kunnen groeien domineert vooral een aantal dwergheesters. Van slenk naar bult gaat het om Kleine veenbes, Lavendelhei, Gewone dophei, Struikhei en Kraaihei.
Via de bovenste decimeters veen, slenken en veenbeekjes voert een hoogveen lateraal zuur water af. Zo schept het aan zijn randen goede condities voor nieuwe veengroei. Op deze wijze kan een hoogveen zich langzaam uitbreiden, zelfs over een minerale ondergrond. Met het systeem van bulten en slenken en met het transport van water van het centrum naar de hoogveenrand hangen verschillen samen in vochtvoorziening, zuurgraad en voedselrijkdom.
Voor de instandhouding en de groei van veen zijn permanent natte omstandigheden nodig. In een onaangetast hoogveen blijkt de waterstand nooit dieper weg te zakken dan ca. 30 cm-mv. Allereerst zorgen het veenlichaam, dat vele meters dik kan zijn, en de schoensmeerachtige laag van ingespoelde humusdeeltjes op de overgang naar de zandondergrond (de gliedelaag) samen voor een zeer hoge hydraulische weerstand. Dit geeft een drastische beperking van het waterverlies via wegzijging en een voornamelijk oppervlakkige afvoer van het neerslagoverschot (zie f4-24). Maar minstens zo belangrijk is dat schommelingen en het uitzakken van de grondwaterspiegel worden beperkt door de beschermende toplaag van het veenpakket, de acrotelm (zie rechter inzet van f4-24). 


f4-23 Een door Veenmos (Sphagnum spec.) gedomineerde slenkvegetatie met verder Zonnedauw (Drosera spec.) en Kleine veenbes (Oxycoccus palustris).


f4-24 Hydrologische stromingen in een hoogveenreservaat. Inzet: diepte en fluctuatie van de grondwaterstand in een onaangetast (rechts) en in een gedegenereerd (links) hoogveen.'Oppervlakkige afvoer' is afvoer via de acrotelm, de slenken en veenbeekjes.
Bron: Witte et al. 2007


Deze acrotelm, een laag van één tot enkele decimeters, bestaat uit een pakket van levende veenmossen met daaronder een laag met licht gehumificeerde plantenresten. De acrotelm heeft een stabiliserend effect op de grondwaterstand:


Bedreigingen via het grondwater

In Nederland zijn de grote hoogveencomplexen grotendeels afgegraven voor de turfwinning en ontgonnen voor de landbouw. De restanten zijn stuk voor stuk ernstig aangetast. Slechts in enkele reservaten komt lokaal nog hoogveengroei voor, en is er dus sprake van ‘levend' hoogveen.

Hoogveen is buitengewoon kwetsbaar. Aantasting van de acrotelm leidt tot een verlaging van de hydraulische weerstand van het veen, waardoor het hoogveen kwetsbaarder wordt voor ingrepen in de omgeving (ontwatering). Vernietiging van de acrotelm geeft een lagere bergingscoëfficiënt van de toplaag waardoor grotere schommelingen in de grondwaterstand optreden (zie hierboven, de linker inzet van f4-24). Bij lage grondwaterstanden mineraliseert het veen - de bodem wordt rijker. Daardoor maken hoogveenplanten plaats voor soorten van een voedselrijker milieu die dieper kunnen wortelen en daardoor ook in de zomer maximaal blijven verdampen (bijv. Pijpestrootje, Geoorde wilg en Braam). Dit verdrogingproces versterkt zichzelf: het leidt via mineralisatie en inklinking tot een steeds dichtere bodem met een lagere bergingscoëfficiënt waardoor de waterstand zomers nog verder wegzakt.

Als de hydraulische weerstand van hoogvenen daalt, zijn ze extra kwetsbaar voor verlaging van de stijghoogte in het watervoerende pakket onder het veenlichaam. Voor verdroging dus. Ontwatering van het omliggende gebied en grondwaterwinning vormen de belangrijkste externe bedreigingen via het grondwater.

Interne waterhuishoudkundige maatregelen (dichten van greppels, graven van plassen) voor het herstel van een gedegenereerd hoogveen zijn er vaak op gericht de bergingscapaciteit van het gebied te vergroten. In feite wordt hiermee de bergingseigenschap van de verdwenen acrotelm nagebootst. Andere interne maatregelen richten zich op het tegengaan van de grondwaterstroming uit het hoogveen, zoals het dichten van kanalen die door het reservaat lopen en het aanbrengen van plastic folie tegen de zijwaartse afvoer van water.


Publicaties en modellen

Literatuur

Modellen

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website