Pad: Ecohydrologie / Ecohydrologische systeemanalyse / ESA van Nederlandse landschappen / Laagveenmoerassen

Laagveenmoerassen

Typering
Bedreigingen via het grondwater
Publicaties en modellen


Typering

Laagveen ontstaat in natte laagten in het landschap die worden gevoed door grondwater of oppervlaktewater. De meeste laagveennatuurgebieden in Nederland zijn verlaten dagmijnbouwgebieden, waar nog tot in de 20e eeuw turf werd gewonnen. Na het staken van de turfwinning konden ze zich ontwikkelen tot zeer soortenrijke gebieden, zowel qua flora als qua fauna. De belangrijkste vorm van verlanding is die door middel van kraggen. Dit zijn drijvende matten van planten en plantenresten, die zich uitbreiden met soorten die het oppervlaktewater via worteluitlopers koloniseren.
Het onderscheid tussen grondwater en oppervlaktewater in laagveenreservaten is soms moeilijk te maken. Het water kan namelijk vrij stromen onder en door de kraggen en de smalle legakkers (de onverveende strepen land waarop de turf te drogen werd gelegd).
Laagveennatuurgebieden zijn kletsnat, dus de hoeveelheid beschikbaar water is voldoende voor de aanwezige planten. Verschillen in de kwaliteit van het water zijn daarom voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor verschillen in de soortensamenstelling, zowel tussen reservaten als binnen reservaten. Die waterkwaliteit wordt bepaald door de herkomst van het grondwater en / of het oppervlaktewater dat het laagveengebied voedt. Wat dit betreft kan onderscheid worden gemaakt in twee soorten reservaten (zie hieronder in f4-16):

Tussenvormen zijn uiteraard ook mogelijk: kwelafhankelijke reservaten waar in droge tijden oppervlaktewater moet worden ingelaten, of reservaten die aan de ene zijde worden gevoed door kwelwater en aan de andere door oppervlaktewater.
Aan de hand van het zoutgehalte van het aangevoerde water kunnen verschillen tussen reservaten worden verklaard. Zo is een rangschikking in reservaten in drie typen mogelijk van zoet naar licht brak, ieder met een kenmerkende flora en fauna (tussen haakjes indicaties van het chloridegehalte van het oppervlaktewater):

't Hol wordt (indirect) gevoed door basenrijk kwelwater, Botshol en Nieuwkoopse plassen door oppervlaktewater dat afkomstig is uit diep ontwaterde polders met in het centrum brakke kwel. Waterland ontleent zijn hoge zoutgehalte nog steeds aan de invloed van de voormalige Zuiderzee; het tegenwoordig aangevoerde oppervlaktewater is deels afkomstig van het IJsselmeer.
Met het chloridegehalte hangen nog meer verschillen tussen laagveenmoerassen samen. De vorming van drijftillen bijvoorbeeld, is beperkt tot de zoete gebieden; in Nieuwkoop bereikt dit verschijnsel zijn ‘zoutgrens'. Ten noorden van het Noordzeekanaal komen laagveenmoerassen van type 3 voor (o.a. Waterland, Ilperveld) die door het hoge zoutgehalte weinig boomgroei hebben, en die weinig zijn verveend omdat het zout in de turf de brandstofkwaliteit vermindert. Sinds de afsluiting van de Zuiderzee verzoeten deze gebieden.


f4-16 Hydrologische positie van laagveennatuurgebieden. Inzet: kraggeverlanding vanuit een legakker, met binnen de kragge een gradiënt in waterkwaliteit variërend van regenwaterachtig (rood) tot oppervlaktewaterachtig (blauw). Bron: Witte et al. 2007


f4-17 Laagveenplas met Gele plomp (Nuphar lutea) en Waterlelie (Nymphaea alba), omzoomd door kraggen met rietland. De bomen op de achtergrond staan op een voormalige legakker. Foto: J.P.M. Witte.

Binnen een reservaat komen horizontale en verticale gradiënten in waterkwaliteit voor tussen enerzijds het oppervlaktewater of grondwater, en anderzijds het basenarme neerslagwater. Soorten vinden binnen die gradiënten hun geschikte habitat. Zo kunnen gedeelten van een kragge in de loop van de successie zodanig geïsoleerd raken van het grondwater of oppervlaktewater, dat planten als Veenpluis en zelfs Gewone dophei er geheel zijn aangewezen op regenwater. Tegelijkertijd groeien aan het andere einde van de gradiënt, dicht bij de sloten, hoogproductieve soorten als Riet en Kleine lisdodde, onder invloed van het basenrijke en relatief voedselrijke oppervlaktewater (inzet f4-16). Tussen beide uitersten komt in een kragge vaak een mozaïek van beide categorieën voor, bijvoorbeeld Zonnedauw groeiend nabij Riet. Zonnedauw is met zijn ondiepe wortels is aangewezen op het bovenste regenachtige water, terwijl Riet profiteert van het voedselrijke en basenrijkere water onder de kragge.
Bij aanvoer van zoet en basenrijk kwelwater (type 1) maar ook zoet en basenrijk oppervlaktewater (type 2) kunnen trilvenen ontstaan, vegetaties met een grote rijkdom aan zeldzame en bedreigde plantensoorten.
Uiteraard is de kwaliteit van het aangevoerde water van directe invloed op aquatische levensgemeenschappen. Kenmerkend voor heldere lichtbrakke wateren zijn onderwatervegetaties met Groot nimfkruid en diverse kranswieren (Characeae), terwijl het ontstaan van drijftillen en een uitgebreide verlanding met Krabbescheer (f4-18) gebonden is aan zeer zoet water.


Bedreigingen via het grondwater

Bij kwelafhankelijke reservaten is een voorname bedreiging natuurlijk het wegvallen van de kwel. Dat kan komen door grondwaterwinning, bebossing en toename van verhard oppervlak op de stuwwal. Ook kunnen lager gelegen polders in de omgeving het kwelwater aantrekken. Als de kwel wegvalt is het noodzakelijk om oppervlaktewater van een vaak ongewenste kwaliteit (niet zoet genoeg, te voedselrijk, te sulfaatrijk en daardoor interne eutrofiëring veroorzakend) aan te voeren om het gebied nat te houden. Bovendien kan eutrofiëring toenemen doordat de vastlegging van fosfaat door het ijzer in het kwelwater niet meer optreedt.
Reservaten die afhankelijk zijn van oppervlaktewater kunnen te lijden hebben van vervuiling door aangevoerd oppervlaktewater met nutriënten, sulfaat en / of zouten. Mogelijke oorzaken daarvoor zijn overmatig mestgebruik in het herkomstgebied (vaak ontwaterde polders in de omgeving) of verandering van de herkomst van het oppervlaktewater (bijvoorbeeld sulfaatrijk en te zout Rijnwater). Extra wegzijging naar de ondergrond door ontwatering van de omgeving of door grondwaterwinning veroorzaakt een grotere afhankelijkheid van de aanvoer van oppervlaktewater en kan dus ook een bedreiging zijn. Gevolgen kunnen variëren van directe en interne eutrofiëring van het oppervlaktewater tot verzilting (toename van het zoutgehalte).
In sommige laagveengebieden staat het peilbeheer ten dienste van de landbouw of de rietteelt: laag in de winter en hoog in de zomer. In de winter voert men schoon regenwater af waarna in de zomer grote hoeveelheden oppervlaktewater - meestal vervuild - moeten worden ingelaten. Maar daar waar het peilbeheer wel volledig kan worden afgestemd op de natuur, bestaat er discussie over de vraag hoe strak het peil in laagveenmoerassen gereguleerd moet zijn. In de meeste reservaten proberen beheerders het peil maar weinig te laten fluctueren, omdat een te laag peil leidt tot mineralisatie van organische stof, terwijl een te hoog peil kan leiden tot inundatie van het maaiveld met vervuild oppervlaktewater.
Aan een strak peilbeheer zijn echter ook nadelen verbonden: er is een grotere toevoer van oppervlaktewater voor nodig en bovendien bevordert het de successie naar soortenarme regenwaterafhankelijke vegetaties, ten koste van veel waardevollere vegetaties van basenrijkere omstandigheden. Wanneer schoon en basenrijk oppervlaktewater aanwezig is, zou men kunnen overwegen het maaiveld daarmee af en toe te inunderen. Het adsorptiecomplex wordt dan weer opgeladen met basen. Gevaar van inunderen is echter wel dat waardevolle gradiënten in waterkwaliteit verdwijnen.


f4-18 Verlanding van een veensloot met Krabbescheer (Stratiotes aloides) en Drijvend fonteinkruid (Potamogeton natans). Foto: J.P.M. Witte.


Publicaties en modellen

Literatuur:

  • Hesen, P.L.G.M. & A.J.M. Jansen, 1999. Verkenningsstudie laagveenwateren. Opmaat tot een nieuw deskundigenteam voor het Overlevingsplan Bos en Natuur. Kiwa, Nieuwegein.
  • Jalink. M.H., 1996. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring in laagveenmoerassen. Staatsbosbeheer, Driebergen.
  • Lamers, L., M. Klinge & J. Verhoeven, 2001. OBN preadvies laagveenwateren. Expertisecentrum LNV, Wageningen.
  • Van Leerdam, A. & J.G. Vermeer, 1992. Natuur uit het moeras! - naar een duurzame ontwikkeling in laagveenmoerassen. Rijksuniversiteit Utrecht, Utrecht.
  • Van Wirdum, G., 1991. Vegetation and hydrology of floating rich-fens. Proefschrift Universiteit van Amsterdam, Amsterdam.
  • Verhoeven, J. T. A. (ed.), 1992. Fens and bogs in the Netherlands. Kluwer academic publisher, Dordrecht / Boston / London.
  • Westhoff, V., P.A. Bakker, C.G. van Leeuwen & E.E. van der Voo, 1971. Wilde planten - flora en vegetatie in onze natuurgebieden. Deel 2: het lage land. Vereniging tot behoud van natuurmonumenten in Nederland.
  • Witte, J.P.M., C.J.S. Aggenbach & J. Runhaar, 2007. Grondwater voor Natuur. In: R. Lieste, J.P.M. Witte, A.C.M. de Nijs, C.J.S. Aggenbach, B.J. Pieters, J. Runhaar & W. Verweij, Beoordeling van de grondwatertoestand op basis van de Kaderrichtlijn Water, p. 43-102. RIVM, Bilthoven.

Modellen

 

 

 

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website