Pad: Ecohydrologie / Standplaats, vegetatie en landschap / Standplaats en milieufactoren / Voorbeeld: vochttoestand

Voorbeeld: vochttoestand

Operationele standplaatsfactoren zijn vaak complex. Er is bij operationele factoren vrijwel nooit sprake van eenvoudige causale relaties (oorzaak en gevolg), maar van ingewikkelde verbanden met meerdere relevante factoren. Dit geldt voor elk van de vier belangrijkste operationele standplaatsfactoren (saliniteit, vochttoestand, voedselrijkdom en zuurgraad). ‘Operationeel' en ‘conditionerend' zijn relatieve begrippen, bedoeld om onderscheid te maken tussen ‘meer direct' en ‘meer indirect'. Vooral de factor ‘vochttoestand', die betrekking heeft op factoren die alle gekoppeld zijn aan de mate waarin water voorradig is, verdient nadere beschouwing (zie f2-2).

Op standplaatsen die permanent of vrijwel het gehele jaar onder water staan komen waterplanten (hydrofyten) voor. Aanpassingen van waterplanten aan het leven in water zijn het ontbreken van steunweefsels en de aanwezigheid van drijvende bladeren. Veel waterplanten kunnen nutriënten anders dan via de wortels direct uit het water opnemen. Vooral de duur van onder water staan is bepalend voor het voorkomen van waterplanten. Het is voor deze planten een directe, operationele factor.

Omdat de grondwaterstand in natte milieus vrij direct de zuurstofvoorziening in het wortelmilieu bepaalt, geldt de grondwaterstand in zulke milieus als een operationele factor. Voorbeeld: op plaatsen die 's winters en in het voorjaar plasdras staan komen vooral soorten voor met aanpassingen aan natte, anaërobe bodems (de zogenaamde hygrofyten). Sommige soorten hebben luchtweefsels (bijv. Riet, Lisdodde en Biezen), andere soorten vermijden anaërobe omstandigheden door pas laat uit te groeien en alleen oppervlakkig (Zonnedauw) of zelfs geheel niet (Veenmos) te wortelen. Een andere aanpassing heeft te maken met het feit dat zuurstofloze bodems vaak giftige stoffen als Fe2+, Mn2+ en H2S bevatten. Diep wortelende soorten kunnen vaak zuurstof in het wortelmilieu brengen, zodat dergelijke stoffen worden geoxideerd, waarna ze onschadelijk zijn.


 

 

 

 

 

 

Kleine zonnedauw (Drosera intermedia), een plant van natte, zure en zuurstofarme bodems. (Foto Rolf Roos)


Op zandgronden met een diepe grondwaterstand is niet de zuurstofvoorziening, maar de vochtvoorziening een operationele factor. Soorten die hier voorkomen zijn aangepast aan droogte doordat ze hun verdamping kunnen beperken of doordat ze de droge zomerperiode overleven in de vorm van zaad. Deze soorten worden aangeduid als xerofyten. Typische kenmerken van xerofyten zijn onder meer een kleine verhouding tussen bladoppervlakte en bladvolume (succulente bouw, denk aan Muurpeper), de aanwezigheid van haren op de bladeren (Muizenoortje) en het verzonken zijn van huidmondjes in bladgroeven (Helm). De operationele factor ‘beschikbaarheid van vocht' is bij xerofyten afhankelijk van de conditionerende factor bodemtextuur.

Tot slot zijn er soorten die aanpassingen aan anaërobe omstandigheden en aan vochttekorten missen en daardoor alleen voorkomen op vochtige standplaatsen. Deze heten mesofyten. De meeste van onze landbouwgewassen behoren tot deze categorie. Grondwaterstand en bodemtextuur zijn voor deze soorten conditionerende factoren, die de hoeveelheid water en zuurstof reguleren, onder andere via de capillaire nalevering aan de wortelzone vanuit het grondwater.

Concluderend kunnen we zeggen dat ‘vochttoestand' niet een afzonderlijke factor is, maar een complex van factoren aanduidt. Al die factoren hebben te maken met de mate waarin water aanwezig is: de duur van onder water staan, de doorluchting van de bodem (aëratie) en de vochtleverantie.


f2-2 Voorbeelden van soorten uit verschillende vochtcategorieën, v.l.n.r.: Teer vederkruid (Myriophyllum alterniflorum, hydrofyt), Kleine lisdodde (Typha angustifolia, hygrofyt), Zwaluwtong (Fallopia convolvulus, mesofyt) en Muurpeper (Sedum acre, xerofyt).


Operationele en conditionerende factoren staan op hun beurt weer onder invloed van processen in ruimte en tijd. Dergelijke processen kunnen positioneel of sequentieel zijn. Een positioneel proces is bijvoorbeeld de stroming van grondwater van infiltratiegebied naar kwelgebied. De ophoping van organische stof in de loop der jaren is een voorbeeld van een sequentieel proces. De doorwerking van positionele en sequentiële processen is nog minder direct dan die van conditionerende factoren.


f2-3 Sturende factoren en processen in het landschap

Literatuur:

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website