Pad: Ecohydrologie / Standplaatsfactoren en vegetatie / Indicatie / IJking van indicatiewaarden

IJking van indicatiewaarden

Indicatiewaarden indiceren de ecologie van soorten op een ordinale schaal. Zo'n schaal werkt met een indeling in klassen, waarin bijvoorbeeld ‘klasse 2' niet twee keer zo veel of hoog betekent als ‘klasse 1'; het betekent alleen maar een stap hoger in rangorde. De verschillende categorieën in de rangorde zijn op basis van literatuuronderzoek, veldmetingen, experimenteel onderzoek, maar vooral op basis van veldkennis vastgesteld, en deels kwalitatief van aard.
In de praktijk van het voorspellen levert dit problemen op, omdat veranderingen in het milieu meestal op een kardinale (kwantitatieve) schaal worden weergegeven (waar 2 dus wél twee keer zoveel is als 1). Bij het werken met indicatiewaarden loop je daardoor tegen vragen op als

Idealiter zouden we geen indicatiewaarden nodig hebben, maar zouden we relaties tussen soorten en hun standplaats via veldmetingen vaststellen. Zo'n onderzoek vereist echter een zeer groot aantal veldmetingen, en is dus kostbaar, tijdrovend en daardoor praktisch moeilijk uitvoerbaar voor alle plantensoorten van Nederland. Bovendien zit een dergelijk onderzoek vol valkuilen, vooral statistische (zie Valkuilen bij empirische relaties). Verschillende auteurs hebben daarom geprobeerd indicatiewaarden van soorten in een bepaald gebied te ijken tegen in het veld gemeten fysische en chemische variabelen. Bij een geslaagde ijking kunnen indicatiegetallen omgezet worden in kardinale waarden. Een geslaagde ijking bevestigt bovendien de juistheid van indicatiewaarden.

In f3-22 heeft Ellenberg van 10 vegetatieopnamen in een bos bij Göttingen de gemiddelde vochtindicatie uitgezet tegen het aantal dagen per jaar dat een bepaalde zuigspanning in de bodem wordt overschreden. Uit de figuur blijkt dat hoe meer droge dagen er voorkomen, des te lager de gemiddelde indicatiewaarde is. Hoewel significant (p<0.05), is het verband zeker niet overtuigend te noemen. Dat komt mede doordat de variatie in vochtgetallen klein is, en het aantal opnamen gering. Het getuigt van inzicht dat Ellenberg de zuigspanning van de bodem heeft gebruikt als maat voor de vochttoestand, en niet de grondwaterstand. In de zuigspanning zijn immers zowel de bodemtextuur als de diepte van de grondwaterstand verdisconteerd.



 

 

 

 

 

f3-22 Relatie tussen het aantal dagen per jaar dat de zuigspanning in de bodem tenminste 3 bar bedraagt en de gemiddelde Ellenberg-indicatiewaarde voor vocht (mF). Naar Ellenberg 1992

 

 



f3-23 Verband op zandgrond tussen de gemiddelde Ellenbergwaarde voor vocht en de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (1980-1986). Zoals de grote spreiding rond de regressielijn laat zien, is de GVG steeds minder bepalend naarmate de grondwaterstand lager is (hoger op de y-as). De structuurklasse ‘zand' is blijkbaar nog te grof om goede indicatie te geven. Uit Alkemade et al. 1996

In f3-23 is voor zandgrond de GVG uitgezet tegen de gemiddelde indicatiewaarde voor vocht F (bepaald op basis van vegetatieopnamen). Door een dergelijke relatie af te leiden voor de bodemsoort zand neem je mee dat de vochttoestand van de standplaats niet alleen afhankelijk is van de GVG, maar ook van de bodemtextuur en het gehalte aan organische stof. De interpretatie van f3-23 is echter minder eenvoudig dan het lijkt:

In f3-24 zijn deze bezwaren ondervangen: hierin is het aandeel hygrofyten of natte soorten (‘nat' volgens het ecotopensysteem) in de vegetatieopname uitgezet tegen de GVG (gebaseerd op dezelfde gegevens als f3-23). F3-24 illustreert dat relaties tussen standplaatscondities en het voorkomen van plantensoorten niet lineair hoeven te zijn. Uit de figuur blijkt voorts dat het aandeel hygrofyten binnen een traject van enkele decimeters sterk afneemt. De sigmoïde functie die door de punten is getrokken heeft een knikpunt bij een GVG van 24 cm onder maaiveld. Dat betekent dat bij een hogere GVG de vegetatie voor meer dan de helft uit hygrofyten bestaat. IJking geslaagd: de grens tussen natte en vochtige ecosystemen kan worden gelegd bij een GVG van 2½ decimeter onder maaiveld.

 

 

 

 

  

 

f3-24 Verband op zandgrond tussen de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand GVG (1980-1986) en het aandeel natte soorten (hygrofyten) in de vegetatie. Gebaseerd op 188 vegetatieopnamen van Runhaar (1989).

Om te onderzoeken hoe droge soorten (xerofyten) gerelateerd zijn aan de vochttoestand van de bodem, zijn opnamen geselecteerd waarvan de planten alleen een vochtige of droge bodem indiceren (mesofyten en xerofyten). In f3-25A is van deze opnamen het percentage droge soorten uitgezet tegen de GVG. Tussen GVG en het aandeel droge soorten blijkt, hoe kan het ook anders, geen verband te bestaan.
Een betere maat om de vochttoestand van droge standplaatsen te karakteriseren is het gemiddeld jaarlijks vochttekort (f3-25B). Dit tekort is gedefinieerd als het totale verschil tussen potentiële en werkelijke verdamping in een gemiddeld jaar van een korte, 90% bedekkende grasmat met een worteldiepte van 20 cm. Het vochttekort werd berekend met het model SWAP. De definitie maakt gebruik van een standaardgewas omdat dit een maat geeft die alleen afhankelijk is van de bodem en onafhankelijk van de actuele vegetatie. De vegetatie past zich namelijk aan droogte aan, waardoor het vochttekort voor de aangepaste vegetatie kleiner is dan voor het standaardgewas. De punten in f3-25B vertonen redelijk wat spreiding. Toch is het resultaat niet slecht, zeker niet als men beseft dat berekening van het vochttekort met SWAP verscheidene aannamen nodig maakte. Uit de figuur blijkt dat xerofyten overheersen in de vegetatie zodra er maar enigszins sprake is van een vochttekort. In dit geval levert de ijking daardoor op dat we de grens tussen vochtige en droge ecosystemen leggen bij een vochttekort van 0 mm per jaar. F3-26 geeft enkele andere voorbeelden van relaties tussen gemiddelde indicatiewaarden en gemeten standplaatsfactoren.

f3-25 Aandeel droge soorten (xerofyten) in de vegetatie uitgezet tegen: (A) de gemeten gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand; (B) het berekende jaarlijkse vochttekort. Bron: Witte & Runhaar 2000




f3-26 Relaties tussen (A) gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand en vochtindicatie en (B) bodem-pH en zuurindicatie. Ieder punt in de grafiek correspondeert met een vegetatieopname, waarvoor indicatiewaarden volgens het ecotopensysteem en GVG (A) of pH (B) bekend zijn. Bron: Witte & Runhaar 2000

Literatuur:

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website