Pad: Ecohydrologie / Standplaatsfactoren en vegetatie / Indicatie / Toepassing bij gebiedsanalyses

Toepassing bij gebiedsanalyses

Indicatiegetallen kunnen dienen om de abiotische eigenschappen van een gebied te verkennen. (voor een voorbeeld zie f3-11 in De lijst van Ellenberg). Indicatiegetallen zijn ook te gebruiken om de ecologie van vegetatietypen te karakteriseren. Combineert men indicatiefactoren in een diagram, dan ontstaat een zogeheten ecogram, zie f3-18 en f3-19. In zo'n ecogram kan men ook veranderingen in het milieu van een bepaald gebied weergeven, zoals f3-20 laat zien. Vergelijkbare kaarten zijn te vervaardigen op basis van soortwaarnemingen die men heeft opgeslagen in een rasterbestand. F3-21 toont het aantal freatofyten per vierkante kilometer bij de Gentse Kanalen in Vlaanderen. Deze kaart geeft in feite de gevoeligheid van het gebied weer voor met name grondwaterstanddaling.
De meeste rasterbestanden bevatten geen informatie over de bedekking van soorten, en ook niet over het gezamenlijke voorkomen van soorten in één vegetatie. Toch zijn de soortwaarnemingen in zulke bestanden bruikbaar voor een redelijk betrouwbare inschatting van het milieu of de vegetatie. F3-12 in Het ecotopensysteem bevat voor twee inventarisatieperioden de verspreiding in Nederland van korte vegetaties op vochtige, voedselarme en zwakzure bodems, afgeleid van vondstgegevens per uurhok (5×5 km). Dergelijke kaarten zijn er landsdekkend ook per vierkante kilometer, terwijl er regionaal en lokaal veel gedetailleerdere kaarten bestaan.




f3-18 28 vegetatietypen in een ecogram van de gemiddelde indicatiewaarde voor stikstof (mN) tegen de gemiddelde indicatiewaarde voor temperatuur (mT). Naar Ellenberg 1992




f3-19 (A) Vier vegetatietypen geplot in een driedimensionaal ecogram van indicatiewaarden volgens het ecotopensysteem. Donkerblauw = Riet-associatie, lichtblauw = Knopbies-associatie, groen = associatie van Struikhei en Stekelbrem, rood = associatie van Zandhaver en Helm. Tegenwoordig zijn er wiskundige technieken voorhanden om de dichtheid van de puntenwolk van ieder vegetatietype te beschrijven. In (B) is dat gedaan voor iedere vegetatietype uit A. Per vegetatietype geven de kleurtinten verschillende dichtheidsoppervlakten aan: oppervlakten waarbinnen een bepaald percentage (bijvoorbeeld 90%) van de punten valt. Met deze functies kan men voor combinaties van indicatiewaarden de kansen op het voorkomen van vegetatietypen berekenen. Naar Witte et al. 2007




f3-20 Veranderingen in een Eiken-berkenbos, weergeven in een ecogram van gemiddelde indicatiewaarde voor licht (mL) tegen gemiddelde indicatiewaarde voor stikstof (mN), gebaseerd op 10 opnamen. In de loop der jaren tussen 1935/39 en 1984 is het donkerder en voedselrijker geworden in dit bos. Naar Ellenberg 1992




f3-21 Aantal freatofyten per kilometerhok bij de Gentse kanalen.

Literatuur:

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website