Pad: Ecohydrologie / Standplaatsfactoren en vegetatie / Indicatie / Gemiddelde indicatiewaarden

Gemiddelde indicatiewaarden

Bij analyses van vegetatieopnamen middelt men de indicatiewaarden van de soorten in die opnamen. Middelen kan men op verschillende manieren doen (f3-16). Een algemene formule is:

Hierin is Igem het gemiddelde van indicatiewaarde I, berekend uit N soorten via een functie g die een gewicht toekent aan bedekking B.

De eenvoudigste maat is het rekenkundige gemiddelde: tel de indicatiewaarden van de soorten in een opname bij elkaar op deel ze door het totaal aantal soorten (f3-17). In formule komt dit neer op een weging van de bedekking met g(Bi) = 1, voor iedere soort i, zodat de formule overgaat in:

Een ander uiterste is dat men de waarde per soort recht evenredig maakt met de bedekking van die soort: g(Bi) = Bi, zodat:

Ellenberg noemt dit de kwantitatieve methode. Beide methoden kunnen eenvoudig met een computerprogramma (zoals Turboveg) worden uitgevoerd.


f3-16 Mogelijke relaties tussen de bedekking van een soort in een opname en het gewicht dat daaraan kan worden toegekend voor de berekening van gemiddelde indicatiewaarden. De schaal van de bedekking stopt bij 0.9 (90%) omdat bedekking altijd in klassen wordt geschat, bijvoorbeeld met de (gemodificeerde) schaal van Braun-Blanquet. De hoogste klasse in die schaal loopt van 75 tot 100%, wat gemiddeld 87,5% is (B = 0.875). Naar Käfer & Witte 2004


f3-17 Een opname, het vegetatietype en de gemiddelde indicatiewaarde (rekenkundig) voor vocht. Uit: Runhaar et al. 2004

De eerste methode (vergelijking [3-5]) is de eenvoudigste en volgens Ellenberg in veel gevallen ook de beste omdat soorten in zekere mate een specifieke bedekking kennen. De meeste Orchideeën bijvoorbeeld, komen bijna overal als einzelgänger voor. Bij een berekening op basis van bedekking zouden deze soorten nauwelijks meewegen, terwijl ze zeer indicatief zijn. Een andere reden om de bedekking niet bij de middeling te betrekken, is dat de bedekking van een soort afhangt van het min of meer toevallig gekozen tijdstip (voorjaar, zomer, najaar) en van jaar tot jaar sterk van variëren. Ook blijkt de waarnemer soms van invloed. In het veld kan men soms getuige zijn van verhitte debatten over de bedekking tussen twee hooggeleerde botanici, waarbij de één de ander verwijt dat hij de zeldzame soorten te hoog inschat.

Er zijn in de literatuur wel voorstellen gedaan voor een tussenweg. Meestal werd een ‘bolle weegvorm' voorgesteld. Dat houdt in dat het veel verschil maakt of een soort bijvoorbeeld 1 of 5% van de opname bedekt, maar dat het verschil tussen 50 en 75% niet veel meer uitmaakt.

Er is onderzoek gedaan aan alle mogelijke bedekkingformules g(B) om te zien wat de beste relatie gaf tussen gemeten grondwaterstand en gemiddelde indicatiewaarde: holle en bolle curven, stijgende en dalende curven of curven met en zonder optimum. Uiteindelijk bleek de optimale vorm g(B) = 0.50 + 0.54B, met B als fractie, zie (f3-17) niet significant beter dan het rekenkundige gemiddelde (vergelijking [3-5]). De kwantitatieve methode (vergelijking [3-6]) was significant slechter: niet gebruiken dus.

Literatuur:

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website