Pad: Ecohydrologie / Standplaatsfactoren en vegetatie / Indicatie / Het ecotopensysteem

Het ecotopensysteem

De lijst van Ellenberg is eigenlijk bedoeld voor gebruik in westelijk Midden-Europa. Er bestaat echter ook een ‘Nederlandse' indeling naar vochttoestand gekoppeld aan een indeling in ecosysteemtypen, gemaakt door Runhaar e.a.. Dit systeem gebruikt vrijwel dezelfde operationele standplaatsfactoren als Ellenberg, namelijk saliniteit, vochttoestand, zuurgraad en voedselrijkdom (bij Ellenberg: stikstofrijkdom). Voor ieder kenmerk zijn klassen onderscheiden die met een code worden aangeduid, voor vochttoestand bijvoorbeeld de klassen ‘water' (1), ‘nat' (2), ‘vochtig' (4) en ‘droog' (6). Standplaatsen zijn gedefinieerd als combinaties van deze kenmerkklassen, bijvoorbeeld nat (2), voedselarm en zwak-zuur (2) (standplaatstype 22, zie Tabel 3‑4). Ieder standplaatstype kan weer opgedeeld wordt in zogenaamde ecotopen door het indelingskenmerk ‘vegetatiestructuur' toe te voegen. H22 wordt dan een bos (H) op standplaatstype 22, en G22 een graslandvegetatie (G) op hetzelfde standplaatstype. Niet alle combinaties vormen in werkelijkheid een standplaatstype of ecotoop, omdat bepaalde combinaties in Nederland niet voorkomen, bijvoorbeeld ‘zout' en ‘droog'. Andere combinaties zijn ecologisch irrelevant. Binnen zilte milieus bijvoorbeeld is de invloed van het zoutgehalte op de vegetatiesamenstelling zo overheersend, dat onderscheid naar voedselrijkdom niet zinvol is.


Tabel 3-4 Classificatie van standplaatstypen volgens het ecotopensysteem. Standplaatstypen (met cursieve code aangegeven) zijn gedefinieerd door combinatie van kenmerklassen (vette code). Voorbeeld: b40 is een brakke, vochtige standplaats.

Alle soorten van de Nederlandse flora zijn bij ecotopen, en dus ook standplaatstypen, ingedeeld. Hierbij is rekening gehouden met de ecologische amplitude van de soorten (mate van kieskeurigheid): een soort kan onder meerdere typen vallen. Een kieskeurige soort als Witte snavelbies bijvoorbeeld, is alleen ingedeeld bij standplaatstype 21 (nat, voedselarm, zuur), terwijl een ‘alleseter' als Riet bij maar liefst 9 standplaatstypen is ingedeeld, variërend van b10 (brak water) tot 48 (vochtig en zeer voedselrijk).

De belangrijk­ste verschillen met het systeem van Ellenberg zijn:


f3-12 Voorkomen van ecotopen P22 en G22 in de eerste en de tweede helft van de 20e eeuw, zoals afgeleid uit gegevens over plantensoorten per uurhok (5×5 km). De achteruitgang van dit type (vooral blauwgraslanden, trilvenen en veenmosrietlanden) heeft alles te maken met de verdroging en vermesting van Nederland. Uit: Witte & Van der Meijden 1990

Literatuur:

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website