Pad: Ecohydrologie / Standplaats, vegetatie en landschap / Standplaats fysisch en chemisch / Herkomst van water en grondwaterstand

Herkomst van water en grondwaterstand

Het verloop van de grondwaterstand is afhankelijk van de waterhuishouding van de standplaats. In f2-27 is voor een aantal vegetatietypen de relatie met de grondwaterstand weergegeven, alsmede het verband met de pH. In infiltratiegebieden zonder oppervlaktewater treedt alleen voeding door regenwater op. Op deze plekken kan de grondwaterstand sterk fluctueren door het grillige verloop van neerslag en verdamping en door de verschillen tussen droge en natte seizoenen. In natte perioden kan de grondwaterstand snel stijgen, in droge perioden diep wegzakken. Hoe sterk de fluctuatie is hangt samen met de mogelijkheid van de bodem om water te bergen. In een dekzandgrond kan in het voorjaar (uitspoeling) gemiddeld slechts 10% van het bodemvolume bijdragen aan de berging van water (bergingscoëfficiënt 10%). Percoleert er 1 mm water naar het grondwater, dan stijgt de grondwaterspiegel dus maar liefst 10 mm. In een veenmosrijke bodem kan veel meer water worden geborgen; daar kan de bergingscoëfficiënt wel 50% bedragen, zodat 1 mm aanvulling neerkomt op een stijging van de grondwaterstand met 2 mm.


f2-27 Verspreiding van een aantal vegetatietypen in een dekzandlandschap, in samenhang met het grondwaterstandverloop (bovenste grafiek, van 0 tot 150 cm-mv), en de bodem-pH (onderste staafdiagrammen). Naar: Jansen (1991).

Bij aanwezigheid van ondiepe, slecht doorlatende lagen stagneert het water, wat kan leiden tot langdurig hoge waterstanden. Ook als een standplaats gevoed wordt door kwel, zullen de grondwaterstanden langer hoog blijven en pas langzaam wegzakken. Naarmate de voedende grondwatersystemen groter zijn, zal de grondwaterstand in kwelgebieden ook langduriger hoog blijven en korter en minder diep wegzakken.

In lokale grondwatersystemen is stroming in het freatisch pakket bepalend. Dergelijke systemen worden gevoed door regenwater dat in aanliggende (dek)zandruggen infiltreert en zijdelings afstroomt. De aanwezigheid van ondiep gelegen leemlagen bevordert deze zijdelingse afstroming. De grondwaterstand van lokale systemen varieert sterk met het seizoen.

(Sub)Regionale systemen hebben een groot voedingsgebied. Het water doorstroomt diepere pakketten en kan door de aanwezigheid van scheidende lagen een verticaal gerichte kweldruk opbouwen. De stijghoogten zijn veel minder weersafhankelijk dan bij lokale systemen. Daardoor kan langdurig, tot zelfs jaarrond, kwel optreden.

In vlakke gebieden met een vast oppervlaktewaterpeil, is het verloop van de grondwaterstand afhankelijk van processen op perceelsniveau: neerslag en verdamping, drainage van perceel naar sloot of wegzijging naar ondergrond, toestroming naar het perceel.

Is in een gebied een watergang aanwezig met een hoger peil dan zijn omgeving, dan kan oppervlaktewater infiltreren en in lagere delen van het gebied als kwel aan de oppervlakte komen. Zulke ‘kanaalkwel' of ‘peilkwel' komt voor in zandgebieden waar kanalen op een vast hoog peil worden gehouden of waar wateraanvoersloten relatief hoog door het landschap lopen. In benedenlopen en polders kan ook peilkwel optreden op de grens van peilvakken met verschillend polderpeil. Het vaste peil geeft een constante kweldruk, die dergelijke systemen op (sub)regionale grondwatersystemen doet lijken. Qua schaal en doorstroomde pakketten gaat het echter om lokale grondwatersystemen.

Overstroming kan leiden tot een plotselinge stijging van de (grond)waterstand, als een laagte volloopt. Meestal is het al enige tijd nat weer geweest en zal de grondwaterstand al dicht aan maaiveld staan. Het kwellende grondwater en het instromende beekwater mengen zich dan boven maaiveld.

Literatuur:

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website