Pad: Ecohydrologie / Inleiding / De kijk van een ecohydroloog

De kijk van een ecohydroloog

Inleiding
Blauwgrasland in een beekdal
Blauwgrasland in een veenweidegebied


Inleiding
Als een ecohydroloog een blauwgrasland ziet, dan weet hij ongeveer welke omstandigheden in de wortelzone heersen. De pH is er matig zuur tot neutraal, de bodem nat tot zeer nat, en matig voedselarm of licht voedselrijk. Maar hoe kan dat in een land waar een overschot aan regenwater zal zorgen voor uitspoeling van bufferstoffen en dus verzuring; waar in droge zomers de verdamping vele malen groter kan zijn dan de neerslag, zodat de grondwaterstand zou moeten dalen?
Zowel overstroming als kwel kunnen zorgen voor de aanvoer van basen. Soms draagt kalk in de bodem bij aan zuurbuffering. In elk gebied is onderzoek ter plekke nodig om te achterhalen welk mechanisme een rol speelt. Blauwgrasland kan in verschillende landschappen voorkomen, bijvoorbeeld in een beekdal of in een veenweidegebied. Ontstaanswijze en standplaatsfactoren kunnen echter verschillen.

Blauwgrasland met Spaanse ruiter 
Blauwgrasland met Spaanse ruiter(Cirsium dissectum) (Wijnjeterperschar, Friesland): een flank van een beekdal
Foto: Rolf Roos

Blauwgrasland in een beekdal

 

 

 

 

 

Moergestelse Broek, Noord-Brabant
Foto: Mark Jalink


Uit onderzoek aan blauwgrasland in het Moergestels Broek bleek dat er zowel kwel kon optreden uit een watervoerende laag op grotere diepte (een watervoerend pakket) als uit omliggende zandruggen. Het grondwater in het blauwgrasland bleek rijk aan calcium en bicarbonaat, en vrij arm aan stoffen als chloride en natrium. Dat gold ook het voor het grondwater uit het watervoerende pakket en, opvallend genoeg, het ondiepe grondwater onder een deel van de hogere zandruggen.
Profielbeschrijvingen en metingen van het kalkgehalte van de bodem bij het plaatsen van de peilbuizen leverden de verklaring. Onder de zandruggen is op 1,5 à 3 meter diepte een kalkrijke leemlaag aanwezig. Als geïnfiltreerd regenwater over deze lagen afstroomt, verandert het door oplossing van calciumionen in basenrijk grondwater. Vervolgens welt het in het blauwgrasland op en handhaaft daar een hoge pH.
Aanvoer via overstroming speelde in het gebied geen rol. Niet alleen was het aangrenzende beekje de Reusel de laatste decennia achter kaden gelegd, ook het bodemprofiel vertoonde geen tekenen van overstromingen in het verleden (zoals een kleidek of kleiig veen). Voor het behoud van het blauwgrasland in het Moergestels Broek is het van belang ontwatering en bemesting van de omgeving tegen te gaan, zodat het grondwater onder de omliggende dekzandruggen kan opbollen en voedselarm blijft.

Blauwgrasland in een veenweidegebied
Verzuurd blauwgrasland in het laagveengebied
Verzuurd blauwgrasland in het laagveengebied (Schaallanden langs de Meije, Utrecht), winter 1992. De basenminnende soorten zijn teruggedrongen tot de slootranden.
Foto: Rolf Roos

De schraallanden langs de Meije in Utrecht zijn op heel andere wijze ontstaan dan die in het beekdal van de Reusel. In het vlakke veenweidegebied was de kweldruk vanouds te laag en de weerstand van het veenpakket te hoog om basenrijk grondwater tot in maaiveld te laten kwellen.
In natte perioden kon men vroeger het overtollige regenwater niet snel genoeg afvoeren. Daardoor stegen de waterstanden en de veenpercelen overstroomden met basen- en slibhoudend, maar matig voedselarm oppervlaktewater: een mengsel van regenwater, slootwater en eventueel kwelwater. Dit oppervlaktewater was juist voldoende basenrijk en voedselarm om blauwgraslanden mogelijk te maken.
Met de komst van stoomgemalen aan het eind van de 19e eeuw werd de waterbeheersing sterk verbeterd, waardoor overstromingen nauwelijks meer voorkwamen. Schraallanden werden weliswaar nat gehouden, maar peilverlagingen in omliggende polders leidden toch tot wegzijging onder de blauwgraslanden. Er ontstonden regenwaterlenzen in de percelen, die daardoor verzuurden.
Tegenwoordig treedt alleen langs sloten nog wat aanvoer van basenrijk water op, doordat slootwater in droge perioden zijdelings het veen indringt. In veel verzuurde veenweidepercelen is daardoor nog een 1 à 2 meter brede rand aanwezig met daarin meer basenminnende soorten. Voor het herstel van hele percelen is het in deze situatie nodig dat zo nu en dan weer overstroming met basen- en slibhoudend, maar matig voedselarm slootwater optreedt.

Blauwgrasland naast maïsakker
Als blauwgrasland ergens niet tegen kan, dan is dat wel een aangrenzende maïsakker.
Foto: Rolf Roos

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website