Pad: Ecohydrologie / Inleiding / Verdroging

Verdroging

1980: Nederland is verdroogd
Verdroging: minder water, maar ook vermesting en verzuring
Maatregelen tegen verdroging: de eerste pogingen


1980: Nederland is verdroogd
De ecohydrologie is rond 1980 ontstaan. Toen bleek dat veel vochtige en natte natuur in Nederland snel aan het verdrogen was, waardoor veel typisch Nederlandse natuur sterk achteruit ging in omvang en soortenrijkdom. Een zeer groot deel van de Nederlandse plantensoorten is namelijk alleen te vinden in natte en vochtige ecosystemen. Voorbeelden: blauwgraslanden, veenmosrietlanden, bronbossen, hoogvenen en natte heide.

In de jaren ‘80 zijn door alle betrokken overheden doelstellingen geformuleerd om verdroging aan te pakken. In de praktijk kwam een nijpend gebrek aan kennis aan het licht. Hoe zie je dat een natuurgebied te kampen heeft met verdroging? En voor welke situatie moet je welke maatregelen overwegen? Deze vragen staan in de ecohydrologie centraal.

Verdroging is de verzamelterm voor de achteruitgang van de natuur als gevolg van waterverbruik door de mens. Hoofdoorzaak is ontwatering van landbouwgronden, na de tweede wereldoorlog op grote schaal uitgevoerd in het kader van ruilverkavelingen. Toename van de grondwaterwinning en andere ingrepen in de waterhuishouding deden daar nog een schepje bovenop.

Soms zijn de effecten van verdroging direct zichtbaar, bijvoorbeeld wanneer een ven of beek droogvalt. Vaak gaat het echter om een geleidelijk proces, waarvan de effecten pas op langere termijn zichtbaar worden. Verdroging is in Hoog Nederland en het duingebied de belangrijkste oorzaak voor de achteruitgang van natuurgebieden. De doelstelling van de rijksoverheid is om ten opzichte van het jaar 1985 de oppervlakte verdroogde natuur terug te brengen met 40% in het jaar 2010. Daartoe zijn in de afgelopen jaren in veel gebieden maatregelen tegen verdroging genomen, maar het staat nu al vast dat deze onvoldoende zullen zijn om dit doel te halen.


In een bijzonde type moerassig bos, een Elzenbroekbos treffen we op lichte plekken Dotterbloem (Caltha palustris) en een vlies van ijzerbacteriën dat wijst op kwel.
Foto: Rolf Roos

 

 

 

 

 

 

 


Verdroogd bronbos na verlaging van de grondwaterstand. Resultaat na enkele jaren: een monotone ondergroei van Gewone braam (Rubus fruticosus). Braam heeft geprofiteerd van het verhoogde stikstofaanbod in de bodem, en heeft daardoor alle andere soorten weggeconcurreerd. Verdroging is ook af te lezen aan de stam van de els: de verdikte voet stond vroeger ook in de zomer in het water.
Foto: Rolf Roos

 

Verdroging: minder water, maar ook vermesting en verzuring
Wat gebeurt er nu precies als de grondwaterstand in een natuurgebied daalt? Om te beginnen kan dat natuurlijk leiden tot een gebrek aan water in de wortelzone. Dan gaan planten meer of minder verwelken: ze kunnen niet meer maximaal verdampen waardoor belangrijke celfuncties verstoord worden (fysiologische verdroging). Het verwelken van planten gebeurt echter pas bij diepere grondwaterstanden van, zeg, een meter beneden het maaiveld. Andere processen zijn meestal veel schadelijker voor de vegetatie. Daling van de grondwaterstand zet namelijk bodemprocessen in gang die van invloed zijn op de soortensamenstelling van de vegetatie. Er dringt meer zuurstof in de bodem door, waardoor organische stof via oxidatie sneller afbreekt. Bij deze afbraak komen voedingsstoffen vrij, waarvan snel groeiende, concurrentiekrachtige soorten (vaak grassen) profiteren. Deze vorm van vermesting noemt men wel interne eutrofiëring, omdat de voedingsstoffen niet van buiten komen maar uit het systeem zelf. Het resultaat is een verruigde, soortenarme vegetatie.
Soorten kunnen ook verdwijnen doordat voedingsstoffen in een vorm beschikbaar komen die voor hen moeilijk of niet opneembaar is. Bijvoorbeeld stikstof in de geoxideerde vorm nitraat in plaats van de gereduceerde vorm ammonium.
Verdroging kan leiden tot verzuring doordat bij de afbraak van organische stof protonen (waterstofionen) vrijkomen. Verzuring kan ook optreden als ontwatering leidt tot minder kwel, en basenrijk grondwater de wortelzone niet meer bereikt. Het zuurdere regenwater neemt dan de opengevallen plaats in.




Belangrijkste schadelijke effecten van hydrologische veranderingen op natte ecosystemen.
Afbeelding J.P.M. Witte

Maatregelen tegen verdroging: de eerste pogingen
Van meet af aan hebben terreinbeheerders geprobeerd verdroging van hun natuurgebieden te bestrijden. In het begin dacht men dat het alleen een kwantiteitsprobleem was: men trachtte het euvel te verhelpen met simpele waterhuishoudkundige maatregelen. Voorbeelden: greppels dichten om regenwater in het gebied te conserveren, of aanvoer van oppervlaktewater. Deze maatregelen hadden meestal niet het beoogde effect omdat planten ook eisen stellen aan de chemische samenstelling van het water: ze hebben niet alleen dorst, ze hebben ook lekkere dorst. Wie van basenrijk grondwater houdt gedijt niet op een zure cocktail.
Een andere belangrijke oorzaak voor de achteruitgang van de natuur is de vervuiling van grondwater en oppervlaktewater. Dat komt door zowel overmatig mestgebruik als de toevoer van water uit de Rijn en Maas naar grote delen van Nederland. In sommige gebieden laat men namelijk gebiedsvreemd oppervlaktewater in om daling van oppervlaktewater en grondwater te voorkomen. Omdat dit ingelaten water een heel andere kwaliteit heeft dan het oorspronkelijke water (vaak veel chloride, fosfaat en sulfaat), geeft dit problemen.



Overdadige algengroei (‘flab’ of ‘flap’) treedt op bij een overvloed aan meststoffen. Het kan ook kortstondig optreden na het graven van een nieuwe poel of een nieuw ven.
Foto: Rolf Roos

 

 

 

 

 

 

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website