Pad: Ecohydrologie / Van analyse naar maatregelen / Streefbeelden

STREEFBEELDEN

Zowel het beleid van de Rijksoverheid als het beheer van terreinbeherende instanties is gericht op het bereiken van natuurdoelen. Deze doelen variëren van behoud en herstel van bestaande natuur tot ontwikkeling van nieuwe natuur. Beleid en beheer moeten niet alleen een bijdrage leveren aan instandhouding van de biodiversiteit, maar de natuurdoelen moeten ook haalbaar en betaalbaar zijn. In deze paragraaf beschrijven we hoe een beleidsmaker of natuurbeheerder zijn natuurdoelen vaststelt.
Om realistische doelen te kunnen formuleren is informatie nodig over het functioneren van ecosystemen en watersystemen onder natuurlijke omstandigheden. Vanwege de grote menselijke beïnvloeding levert de analyse van een bestaand natuurgebied in Nederland niet altijd voldoende informatie op. Dan wordt vaak gebruik gemaakt van historische en / of geografische referentiebeelden. Op basis van deze bronnen is het mogelijk om een referentiebeeld van het betreffende natuurgebied te vormen. Referentiebeelden geven een beeld van een ecosysteem zoals het eruit zou zien na min of meer ongestoorde ontwikkeling. Ze vormen een aanknopingspunt voor het beleid en beheer.
Referentiebeelden hebben betrekking op:

Er zijn geen duidelijke richtlijnen te geven voor het gebruik van referentiebeelden. De keuze voor een referentiegebied is sterk afhankelijk van het doel van het referentieonderzoek, de beschikbaarheid van gegevens en het schaalniveau waarover je uitspraken wilt doen. Vaak is het handig om te kiezen voor een geïntegreerde benadering, omdat de verschillende referentiebeelden elkaar aanvullen. Historisch onderzoek levert informatie over de toestand in het verleden. Daarna is het met systeemtheoretische kennis mogelijk om een denkmodel van een ‘optimaal' ecosysteem te ontwikkelen. Tot slot toets je dit model met onderzoek aan vergelijkbare ecosystemen. Dat heeft als bijkomend voordeel dat je systeemtheoretische kennis toeneemt. Zo krijg je een goed inzicht in de mate van aantasting van het doelgebied en in de sturende processen die hersteld moeten worden. Een belangrijk neveneffect van het maken van referentiebeelden is de inspirerende werking die ervan uitgaat. Goed gemaakte referentiebeelden helpen bij het verwerven van draagvlak bij de diverse actoren in een gebied, en zijn daarmee een belangrijke sleutel voor succes.
Het is niet altijd realistisch om in je doelgebied een ongestoorde situatie na te streven, omdat de maatschappelijke context vaak anders is dan in het referentiegebied. Antropogene en natuurlijke processen kunnen onomkeerbare gevolgen hebben gehad op de abiotische uitgangssituatie. Ook kan het zijn dat ingrepen nodig zijn die vanuit maatschappelijk oogpunt niet aanvaardbaar zijn. Daarom kunnen bij het opstellen van referentiebeelden ‘harde' randvoorwaarden worden meegegeven. Een referentiebeeld voor rivieren houdt dan bijvoorbeeld in een ongestoord verloop van abiotische processen zoals erosie, sedimentatie en overstroming, maar - voorwaarde - binnen de bestaande dijken (omdat anders de veiligheid van omwonenden in het geding is).
Zodra het referentieonderzoek een haalbaar referentiebeeld heeft opgeleverd, kan dit worden vertaald in een ecologisch streefbeeld. Een streefbeeld beschrijft de toestand die als maximaal haalbaar kan gelden, rekening houdend met bestaande gebruiksfuncties zoals scheepvaart, landbouw en recreatie. Uiteraard kan een beleidsmaker of natuurbeheerder ook zelf een streefbeeld verzinnen, zonder gebruik te maken van referentiebeelden. Goede voorbeelden hiervan zijn de streefbeelden die zijn ontwikkeld voor de inrichting van ecologische verbindingszones. Deze verbindingszones beogen de migratie van soorten als ringslang, otter en das te bevorderen, zonder dat we goed weten welke eisen deze diersoorten aan verbindingszones stellen.
Sommige natuurbeheerders hebben de visie dat de natuur vooral zijn eigen gang moet kunnen gaan, zonder dat de mens voortdurend ingrijpt. Zij gaan uit van de spontane ontwikkeling van natuur binnen de huidige abiotische en maatschappelijke randvoorwaarden. Ook hiervoor is het mogelijk om een streefbeeld op te stellen door de kenmerken van het bestaande landschap als uitgangspunt te nemen. Het is in dit geval lastiger om aan te geven waar welke natuur wordt gerealiseerd, omdat de ontwikkeling veel minder goed voorspelbaar is.
Het gebruik van de term ‘beeld' houdt niet in dat wordt gestreefd naar een statische toestand. Een bepaald referentiebeeld kan ook dynamiek inhouden (i.e. natuurlijke processen). Denk bijvoorbeeld aan het herstel van de oorspronkelijke dynamiek in de duinen en het rivierengebied.
Streefbeelden worden uitgewerkt in doelstellingen voor te realiseren natuur in ruimte (plek) en tijd (termijn). Voor het formuleren van natuurdoelen wordt in Nederland vaak het stelsel van natuurdoeltypen gebruikt, zoals dat is beschreven in het Handboek Natuurdoeltypen. Een natuurdoeltype is daarin gedefinieerd als een combinatie van abiotische en biotische kenmerken op een bepaalde ruimtelijke schaal. Aan elk natuurdoeltype zijn doelsoorten (prioritaire soorten) en procesparameters (sturende processen) gekoppeld. Een natuurdoeltype beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en kan gebruikt worden als een toetsbare doelstelling voor een natuurterrein. De natuurdoeltypen worden voor elk gebied vastgelegd in zogenaamde gebiedsvisies - vastgesteld in samenspraak tussen provincies, regiodirecties van het Ministerie van LNV en terreinbeherende organisaties. Resultaat is een kaart van elk natuurgebied met daarop aangegeven de beoogde verspreiding van de verschillende natuurdoeltypen.
Ook bij het opstellen van natuurdoeltypen zijn verschillende typen referentiebeelden ingezet. Zo is er onderscheid gemaakt in nagenoeg natuurlijke, begeleid natuurlijke, halfnatuurlijke en multifunctionele eenheden. Dit zegt iets over de mate van ‘natuurlijkheid' van de natuurdoeltypen die er onder vallen. In de nagenoeg natuurlijke eenheden staan grootschalige ecologische processen en autonome ontwikkeling centraal. Referentiebeelden hiervoor zijn in Nederland niet meer voorhanden, maar wel in het buitenland. Ook voor de begeleid natuurlijke eenheden is gebruik gemaakt van referentiegebieden waar grootschalige ecologische processen optreden. In het Handboek Natuurdoeltypen zijn ook voor individuele natuurdoeltypen referentiebeelden opgenomen.
Hoewel de natuurdoeltypen ook houvast bieden bij het terreinbeheer zijn ze daarvoor vaak te weinig gedetailleerd. Terreinbeheerders maken daarom gebruik van de systematiek van vegetatietypen (bijvoorbeeld volgens de indeling van de Vegetatie van Nederland of de SBB-typologie). Een vegetatietype of plantengemeenschap is in concrete zin een vegetatie met een eigen structuur op een bepaalde standplaats. Vegetatietypen stellen specifieke eisen aan hun standplaats. Met behulp van referentieonderzoek in ongestoorde systemen en expertkennis kan worden vastgesteld binnen welke grenzen bepaalde vegetatietypen voorkomen. De abiotische randvoorwaarden of ecologische vereisten, waaronder vegetatietypen (optimaal) voorkomen, worden uitgedrukt in ranges of grenswaarden voor het gewenste grondwaterregime, grondwatertype, benodigde stijghoogte van het grondwater, kwelflux en chemische condities van de bodem.
In de Waternood-applicatie ‘Hydrologische Voorwaarden Natuurdoeltypen' zijn de abiotische randvoorwaarden voor een groot aantal vegetatietypen uitgewerkt. Kennis van de ecologische vereisten van de nagestreefde vegetatietypen, stelt een natuurbeheerder in staat beheer en de inrichting van zijn terrein zodanig sturen dat deze condities worden gerealiseerd. Zodoende kan de kans op het voorkomen van een bepaald vegetatietype toenemen.
Bij het formuleren van natuurdoelen maakt men niet altijd expliciet gebruik van referentiebeelden. Vaak wordt kennis uit referentieonderzoek ‘impliciet' gebruikt; de kennis over referentiebeelden is tot de expertkennis is gaan behoren. Dit heeft als voordeel dat vrij met kennis kan worden omgegaan. Dat is tegelijkertijd natuurlijk ook een risico.


Oude kaarten zijn belangrijke bronnen voor het samenstellen van een historisch referentiebeeld. Deze oude topografische kaart van duinen bij Egmond uit 1906 bevat aanwijzingen over de oorspronkelijke geomorfologie en de maaiveldhoogtes ten tijde van het ontstaan van duinvalleien (landschap, geomorfologie en indirect ook hydrologie).

Literatuur:

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website