Pad: Fauna / Bedreigingen / Habitatverlies & versnippering

Habitatverlies en versnippering

Werkdocument

Inhoud van deze pagina:
Afname van kwantiteit en kwaliteit
Dieren zijn gevoelig voor versnippering
Versnippering maakt behoud van bronpopulaties extra belangrijk
Literatuur

Afname van kwantiteit en kwaliteit
Door ontginning is de oppervlakte van natuurgebieden in Nederland drastisch afgenomen. Natuurgebieden zijn kleiner geworden en de afstand tussen natuurgebieden is groter geworden. Door de aanleg van wegen, bebouwing en intensivering van het landgebruik tussen de overgebleven natuurgebieden zijn natuurgebieden steeds meer geïsoleerd geraakt. In kleinere gebieden, waar uitwisseling met andere gebieden beperkt of onmogelijk is, kunnen populaties van zowel planten- als diersoorten te klein worden en neemt het risico op uitsterven toe. Dit probleem staat bekend als versnippering. Eén van de doelstellingen van de ecologische hoofdstructuur (EHS) is het verbinden van natuurgebieden. Verder levert het aanleggen van ecoducten, vispassages, faunapassages en faunatunnels voor een aantal diersoorten betere verspreidingsmogelijkheden op.
Naast de sterke afname van de oppervlakte natuur neemt ook de kwaliteit af. Negatieve effecten van verzuring, verdroging en vermesting reiken tot in het hart van de grotere en kleine natuurgebieden. Op klein schaalniveau (standplaats; ~m2) heeft dit geleid tot het verdwijnen, ongeschikt worden of verslechteren van de omgevingscondities van veel soorten. De negatieve effecten spreiden zich echter uit over grote oppervlakten en oefenen een voortdurende, chronische druk uit. De omgevingscondities veranderen hierdoor allemaal in dezelfde richting, waardoor de oorspronkelijke differentiatie in omgevingscondities (nat-vochtig-droog, voedselarm-voedselrijk) verloren gaat. De ruimtelijke heterogeniteit die zo belangrijk is voor het voortbestaan van veel planten en dieren neemt af. Dit leidt ook op groter schaalniveau (~ha tot ~km2) tot een vervlakking. Monotone vlaktes van Pijpenstrootje zijn voorbeelden hiervan. Versnippering (kwantitatieve afname) en vervlakking (kwalitatieve afname) leiden beide tot een afname van de heterogeniteit binnen een terrein.

Dieren zijn gevoelig voor versnippering
Door het brede scala aan schaalniveaus dat van belang is voor de fauna is de fauna ook het meest gevoelig voor een afname in terreinheterogeniteit; door de grote verschillen in terreingebruik en de dichtheid waarin diersoorten voorkomen, verschilt de gevoeligheid voor veranderingen in terreinheterogeniteit en omvang van leefgebieden sterk tussen diersoorten. Bovendien zijn in de fauna de meeste soorten te verliezen. De fauna vormt een goede indicatie voor de kwaliteit van het landschap op tal van schaalniveaus. Vervlakking en versnippering bedreigen ook het voortbestaan van populaties van planten, maar dit speelt meestal op langere termijn. Zowel voor planten als dieren bedreigen homogenisatie en versnippering van landschappen het voortbestaan van populaties. Dieren zijn op korte termijn (binnen levenscyclus van een individu) afhankelijk van terreinheterogeniteit en lopen het risico als eerste te verdwijnen. Bovendien kunnen korte perioden van ongeschiktheid funest zijn. Planten hebben dit probleem minder en kunnen korte perioden van ongeschiktheid meestal overbruggen. Ze lopen het risico om langzaam, ongemerkt te verdwijnen, omdat effecten zich pas op een langere termijn manifesteren. Daarmee kan het voorkomen of juist het verdwijnen van diersoorten een ‘early-warning’ zijn voor de rest van het ecosysteem.

Versnippering maakt behoud van bronpopulaties extra belangrijk
In sterk aangetaste terreinen kunnen nog (relict)populaties van ongewervelde diersoorten voorkomen die zeldzaam zijn en karakteristiek voor het oorspronkelijke en weer te herstellen natuur- of landschapstype. Wanneer herstelbeheer of (intensief) regulier beheer op grote schaal wordt uitgevoerd, bestaat het risico dat nog aanwezige populaties van deze soorten verdwijnen, terwijl deze juist als bronpopulatie zouden kunnen fungeren na de uitvoering van de herstelmaatregelen. Veel diersoorten hebben een beperkt verspreidingsvermogen en de afstand tot de dichtstbijzijnde populatie kan onoverbrugbaar groot zijn. Daarom is het behoud van bestaande populaties van deze soorten van groot belang; de kans op herkolonisatie is zeer gering. Voor het behoud van bestaande populaties kan het van groot belang zijn herstelbeheer gefaseerd in tijd en ruimte uit te voeren.

Met bijdragen van:
Wilco Verberk, Gert-Jan van Duinen

Literatuur
Bink, F. 2010. Ruimte voor insecten. Een nieuwe visie op insectenbescherming. KNNV uitgeverij.
Duinen, G.A. van, H.H. van Kleef, M. Nijssen, C.A.M. van Turnhout, W.C.E.P. Verberk, J. Holtland & H. Esselink 2004. Schaal en intensiteit van herstelmaatregelen: Hoe reageert de fauna? In: G.A. van Duinen et al. (Eds.) Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit - 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het overlevingsplan bos en natuur. Rapport EC-LNV nr. 2004/305, Ede. Pp.189-240.
Smits, N., T. van Noordwijk, R. Bobbink, H. Esselink, R. Huiskes, L. Kuiters, W. Ozinga, J. Schaminée, H. Siepel, W. Verberk & J. Willems, 2009. Onderzoek naar de ecologische achteruitgang en het herstel van Zuid-Limburgse hellingschraallandschappen. Rapport Ministerie van LNV, Directie Kennis nr. 2009/dk118-O.

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website