Pad: Fauna / Uitvoering van beheermaatregelen

Uitvoering van beheermaatregelen


Werkdocument

Inhoud van deze pagina:
Randvoorwaarden herstellen 
Herstelbeheer: noodzakelijk, maar verstorend 
Overlevingsstrategieën geven inzicht in knelpunten fauna 
Behoud van relictpopulaties 
Schaal en intensiteit van maatregelen 
Literatuur 

Randvoorwaarden herstellen
Duidelijk is dat aantastingen (verzuring, vermesting en verdroging) negatieve gevolgen hebben voor de flora- en faunadiversiteit en dat actief herstelbeheer noodzakelijk is om in aangetaste ecosystemen de randvoorwaarden voor het voorkomen van (karakteristieke) planten- en diersoorten te herstellen. Herstelbeheer vereist dus kennis van de eigenschappen van soorten en de eisen aan hun omgeving die daaruit voortkomen; oftewel inzicht in de match tussen soorten en het landschap en in de mismatch die door aantastingen is ontstaan. Om adequate maatregelen te kunnen nemen, is daarnaast kennis nodig over welke processen sturend zijn voor de relevante terreincondities. Daarin verschilt de aanpak gebaseerd op de vegetatie in principe niet van de aanpak die vanuit de fauna nodig is. Het verschil zit ’m daarin dat vanwege de mobiliteit en het terreingebruik van dieren niet alleen de fysische en chemische condities op standplaatsniveau, maar ook de eigenschappen van een terrein op hogere schaalniveaus in ogenschouw moeten worden genomen, naast uiteraard de complexere voedselrelaties (zie ook de pagina Dieren in hun omgeving).

Herstelbeheer: noodzakelijk, maar verstorend
Herstelbeheer is dus noodzakelijk, maar de uitvoering ervan vormt tegelijk een verstoring van het ecosysteem. Bij bijvoorbeeld het tijdelijk droogleggen van een ven om de sliblaag te verwijderen, of het verwijderen van de vegetatie en strooisellaag bij het plaggen van heide worden vrijwel alle ter plekke aanwezige planten en dieren verwijderd. Bij herstelmaatregelen die herhaald moeten worden om een vegetatietype in stand te houden, is het van belang na te gaan bij welke frequentie en welke ruimtelijke schaal van uitvoering het voortbestaan van populaties van (doel)soorten in het terrein niet wordt bedreigd. De frequentie van verstoring bepaalt in samenhang met het herstelvermogen van de populatie, dan wel de rekolonisatiecapaciteit van de soort het effect op de lokale aanwezigheid. Verder kan de wijze van uitvoering van maatregelen door grootschaligheid en intensiteit onbedoeld leiden tot verdere uniformering van het landschap, terwijl een randvoorwaarde voor het herstel van de fauna juist herstel van terreinheterogeniteit op groter en kleiner schaalniveau is.

Aandachtspunten per maatregel –ook met betrekking tot fauna- zijn te vinden via de ingang “Beheermaatregelen” in het hoofdmenu en op de pagina’s over herstelbeheer of regulier beheer onder de verschillende natuurtypen.

Overlevingsstrategieën geven inzicht in knelpunten fauna
Voor een adequaat herstelbeheer is het noodzakelijk inzicht te hebben in de knelpunten die er in een terrein zijn voor de gewenste planten- en diersoorten en welke effecten de uitvoering van herstelmaatregelen hebben op de aanwezige soorten. Hoe kun je nu vaststellen wat de belangrijkste knelpunten zijn voor faunaherstel, terwijl je te maken hebt met een groot aantal diersoorten, elk met z’n eigen biologische kenmerken? Een analyse van de faunagemeenschap met behulp van de (functionele combinaties van) eigenschappen of overlevingsstrategieën die soorten hebben, kan uitkomst bieden. In zo’n analyse worden soorten gegroepeerd op basis van verschillen in o.a. verspreidingsvermogen, wijze van voortplanting en ontwikkelingsduur. Zo’n analyse op basis van eigenschappen van soorten leverde bijvoorbeeld helder inzicht in de gevolgen van het opschonen van vennen op de aanwezige watermacrofauna. Vanuit de verschillen in het voorkomen van overlevingsstrategieën tussen het te herstellen terrein en binnen- of buitenlandse referentiegebieden kan worden beredeneerd wat de meest waarschijnlijke knelpunten zijn.
Voor Limburgse kalkgraslanden (of hellingschraallanden) leverde deze aanpak ook een duidelijk resultaat op dat in de beheerspraktijk goed toepasbaar is. Voor dagvlinders bleek dat de karakteristieke soorten die sinds invoering van het herstelbeheer op deze graslanden verder zijn achteruitgegaan, allen als rups of pop in de vegetatie of in de strooisellaag overwinteren. Omdat dit stadium relatief kwetsbaar is, zou het afvoeren van vegetatie en strooisel in najaar en winter een knelpunt kunnen zijn. Deze hypothese werd bevestigd door een begrazingsexperiment met de Veldparelmoervlinder (Melitaea cinxia). De huidige (intensieve) begrazing in de herfst bleek een knelpunt te vormen voor de overleving van de rupsen van deze vlinder.
De analyse van de mierenfauna aan de hand van levensstrategieën bracht een ander knelpunt aan het licht. Voor mieren is het stichten van nieuwe kolonies de meest kritieke fase in de levenscyclus. In de hellingschraallanden bleek één overlevingsstrategie sterk te zijn gebonden aan nestplaatsen met een zeer warm microklimaat in zomer en nazomer, omdat hun koninginnen maar kort de tijd hebben om een eerste broed van werksters groot te brengen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij mierensoorten die zich pas laat in het seizoen voortplanten. Soorten van deze strategie waren in een aantal Nederlandse terreinen gereduceerd ten opzichte van buitenlandse referentieterreinen. Het creëren van een warmer microklimaat in de (na)zomer heeft waarschijnlijk een groot gunstig effect op soorten met deze overlevingsstrategie, die veel karakteristieke soorten hebben. De vegetatiestructuur heeft een grote invloed op de bodemtemperatuur.
Uit deze analyse kan afgeleid worden dat in het reguliere beheer in de bestaande reservaten -dat gericht is op het terugdringen van de voedselrijkdom van de bodem- een betere afstemming nodig is met de levenscyclus van de karakteristieke insectenfauna. Een deel van de knelpunten kan waarschijnlijk worden opgelost wanneer het afvoeren van vegetatie door maaien of begrazing eerder in het jaar (voorjaar/zomer in plaats van herfst/winter) plaatsvindt.

Behoud van relictpopulaties
Uit OBN onderzoek in vennen, hoogvenen en duinen blijkt dat in sterk aangetaste situaties nog ongewervelde diersoorten kunnen voorkomen die zeldzaam zijn en karakteristiek voor het oorspronkelijke en weer te herstellen natuur- of landschapstype. Wanneer herstelbeheer of (intensief) regulier beheer op grote schaal wordt uitgevoerd, bestaat het risico dat nog aanwezige populaties van deze soorten verdwijnen, terwijl deze juist als bronpopulatie zouden kunnen fungeren na de uitvoering van de herstelmaatregelen. Omdat veel karakteristieke diersoorten een beperkt verspreidingsvermogen hebben en populaties van zeldzame en karakteristieke soorten erg versnipperd kunnen zijn, is het behoud van bestaande populaties van deze soorten van groot belang; de kans op herkolonisatie is zeer gering.
Om vast te stellen of in een te behandelen terrein nog zeldzame en karakteristieke soorten voorkomen, is het vastleggen van de uitgangssituatie voorafgaand aan de uitvoering van maatregelen nodig. Hierbij gaat het met name om diergroepen, waarvan verwacht mag worden dat ze vrij direct zullen reageren op de veranderingen als gevolg van de maatregelen. Naar aanleiding van de uitkomsten van het vooronderzoek kan de schaal en wijze van uitvoering van de herstelmaatregelen indien nodig aangepast worden. Voor het behoud van bestaande populaties kan het van groot belang zijn herstelbeheer gefaseerd in tijd en ruimte uit te voeren. Daar staat tegenover dat soepeler met maatregelen kan worden omgegaan als in de uitgangssituatie alleen nog maar algemeen voorkomende en/of mobiele soorten aanwezig zijn. Dit neemt niet weg dat in de meeste terreinen een kleinschalig beheer, dat leidt tot behoud en herstel van variatie, positieve effecten op de fauna zal hebben.
Om de vraag te beantwoorden welke maatregelen of fasering nodig zijn om relictpopulaties te behouden en zo mogelijk te versterken, is het nodig vast te stellen om welke soorten het gaat, hoe deze soorten over het terrein verspreid zijn, wat de eigenschappen zijn van de locaties waar zij voorkomen en welke eisen de diersoorten stellen aan hun leefomgeving. Met een adequate monitoring van de effecten van de maatregelen kan vervolgens de vinger aan pols gehouden worden. Fasering van maatregelen en de schaal waarop ingrepen plaatsvinden, kan dan mede afgestemd worden op ontwikkelingen van vegetatie en fauna. Nadat is vastgesteld dat belangrijke soorten zich in andere terreindelen gevestigd hebben als effect van herstelmaatregelen, kan overwogen worden ook maatregelen te nemen in een deel van het terrein waar nog relictpopulaties voorkomen.

Schaal en intensiteit van herstelmaatregelen
De toepassing van maatregelen in tijd en ruimte behoeft een goede afstemming op eigenschappen van het terrein en de aanwezige en gewenste diersoorten. De hierboven besproken analyse van levensstrategieën in dagvlinder- en mierenfauna van de hellingschraallanden illustreert dit. Om te komen tot een, op basis van de huidige kennis, optimale fasering van herstel- en regulier beheer in tijd en ruimte is het van belang er in de langere-termijn-planning van maatregelen expliciet voor te zorgen dat verschillende stadia van vegetatieontwikkeling en structuurvariatie in een relatief kleinschalig mozaïek aanwezig zijn. In deze planning kunnen ingrijpende maatregelen als baggeren, plaggen, begrazing, branden, kappen, maaien en vernatten passende maatregelen zijn. Echter, voorkomen moet worden dat zij binnen relatief korte tijd in grotere, vrijwel aaneengesloten terreindelen worden uitgevoerd, omdat deze maatregelen dan tot éénvormigheid van grote delen van het terrein kunnen leiden. Dit is temeer belangrijk, omdat over de effecten van de verschillende maatregelen en combinaties van maatregelen op de fauna vaak nog weinig bekend is. Cruciaal is het onderkennen van de terreindelen waar maatregelen in geen geval uitgevoerd kunnen worden, wil men geen risico’s nemen ten aanzien van het verlies van kwetsbare en karakteristieke soorten.
Mits kleinschalig en gefaseerd uitgevoerd, zijn de meeste maatregelen naar verwachting positief voor dieren. Het tijdens het hele proces van het herstelbeheer bewust zijn van fauna en de eisen die diersoorten stellen aan hun omgeving zal een bijdrage leveren aan het voorkómen van goedbedoelde maatregelen, die voor de fauna ongunstig uitpakken. In algemene zin komt dit neer op het voorkomen van schokeffecten, kleinschalig uitvoeren, ruimtelijk en in de tijd faseren, vermijden van versnippering en vermindering van de intensiteit van maatregelen.
Hierbij moet tegelijk opgemerkt worden dat uitvoering van het bestaande arsenaal aan beheermaatregelen met inachtneming van deze aanbevelingen niet alle knelpunten voor de fauna kan oplossen. Gezien het ruimtelijk gebruik van het landschap door dieren is het van belang dat herstelbeheer daarnaast meer gericht is op herstel van structuurvariatie, terreinheterogeniteit, gradiënten en mozaïekpatronen in het landschap. Verder is de kennis over de kwaliteit van waardplanten en voedselketenrelaties nog beperkt, maar is al wel duidelijk dat op dit gebied belangrijke knelpunten voor de fauna bestaan, zoals bij Sperwers is aangetoond.

Aandachtspunten per maatregel –ook met betrekking tot fauna- zijn te vinden via de ingang “Beheermaatregelen” in het hoofdmenu en op de pagina’s over herstelbeheer of regulier beheer onder de verschillende natuurtypen.

Met bijdragen van:
Gert-Jan van Duinen, Toos van Noordwijk, Wilco Verberk


Literatuur

Bink, F. 2010. Ruimte voor insecten. Een nieuwe visie op insectenbescherming. KNNV uitgeverij.
Bosman, W., C. van Turnhout & H. Esselink, 1999. Effecten van herstelmaatregelen op diersoorten: “Eerste versie van Standaard Meetprotocol Fauna (SMPF) en Richtlijnenprogramma Uitvoering Herstelmaatregelen Fauna (RUHF)”. 81 pp.
Duinen, G.A. van, H.H. van Kleef, M. Nijssen, C.A.M. van Turnhout, W.C.E.P. Verberk, J. Holtland & H. Esselink 2004. Schaal en intensiteit van herstelmaatregelen: Hoe reageert de fauna? In: G.A. van Duinen et al. (Eds.) Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit - 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het overlevingsplan bos en natuur. Rapport EC-LNV nr. 2004/305, Ede. Pp.189-240.
Nijssen, M. & H. Siepel, 2010.
The characteristic fauna of drift sands. In: Fanta, J. & H. Siepel. Inland drift sand landscapes. KNNV-Uitgeverij, Driebergen, 255-278.
Siepel, H., Siebel, H., Verstrael, T., Burg, van den, A. & Vogels, J., 2009. Herstel van lange termijn effecten van verzuring en vermesting in het droog zandlandschap. De Levende Natuur 110: 124-129.
Smits, N.A.C., R. Bobbink, A.T. Kuiters, C.G.E. van Noordwijk, J.H.J. Schaminée & W.C.E.P. Verberk, 2009. Sleutelfactoren en toekomstperspectief voor herstel van het Limburgse heuvelland. De Levende Natuur 110: 111-115.
Turnhout, C. van, E. Brouwer, M. Nijssen, S. Stuijfzand, J. Vogels, H. Siepel & H. Esselink, 2008. Herstelmaatregelen in heideterreinen; invloed op de fauna - Samenvatting OBN onderzoek en richtlijnen met betrekking tot de fauna. Rapport Ministerie van LNV, Directie Kennis nr. 2008/042-O.

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website