Pad: Fauna / Dieren in hun omgeving

Dieren in hun omgeving

Inhoud van deze pagina:
Dieren zijn anders dan planten 
Betekenis van terreinheterogeniteit en schaalniveaus 
   Elke soort zijn eigen schaal 
   1. Combinaties van landschapsonderdelen 
   2. Bijzondere soorten in overgangsbiotopen of gradiënten 
   3. Heterogeniteit biedt mogelijkheden voor risicospreiding 
   4. Oriëntatie op structuurverschillen 
Hele levenscyclus van een organisme van belang voor het beheer
Literatuur 

Dieren zijn anders dan planten
Dieren kunnen zich meestal verplaatsen en ze hebben geen fotosynthese. Deze twee eenvoudige feiten zijn de basis van verschillen tussen planten en dieren, waar we in het natuurbeheer rekening mee moeten houden. Door hun vermogen zich te verplaatsen kunnen dieren verschillende plekken in het landschap gebruiken. Dit verplaatsen kost energie (stofwisseling, aanmaak en onderhoud van vleugels, vliegspieren e.d.). Wil het verplaatsen rendabel zijn, dan moet het ook voordeel opleveren. Dit voordeel is er doordat plekken in het landschap verschillen in termen van o.a. voedselhoeveelheid en beschutting. Verder kunnen plekken op verschillende momenten meer of minder geschikt zijn: o.a. gedurende verschillende levensstadia van een dier, bloeiperiode van nectarplanten, tijdstippen van de dag. Wanneer deze verschillen in geschiktheid voldoende groot zijn en de afstand tussen plekken voldoende klein, levert het kunnen verplaatsen een voordeel op; in dat geval is het rendabel.
Dit betekent dat dieren bij uitstek erop zijn ingesteld om de ruimtelijke afwisseling en variatie in een landschap (heterogeniteit) maximaal uit te buiten. De wijze waarop een diersoort zich in een habitat handhaaft, is sterk verbonden met het gebruik van deze heterogeniteit. Het wegvallen –door aantastingen of beheermaatregelen- van een of meer elementen in een landschap kan dan ook betekenen dat het habitat als geheel niet meer aan de eisen van een soort voldoet. Uiteindelijk kan dit leiden tot het verdwijnen van een soort, ook als het merendeel van de andere vereiste elementen nog wel aanwezig zijn. Dit betekent dat nivellering van de variatie in de leefomgeving snel tot problemen kan leiden voor deze dieren.
Dieren zijn voor hun voeding (het opnemen van energie en bouwstoffen) afhankelijk van planten of prooidieren. Voor planteneters is de kwaliteit van planten uitermate belangrijk. Die kwaliteit verschilt tussen verschillende standplaatsen en verandert bovendien gedurende het seizoen. De kwaliteit van (waard)planten is even belangrijk als de aanwezigheid van deze plantensoorten. Een belangrijk aspect voor de opbouw van faunagemeenschappen is dus dat voedingstoffen die door planten worden vastgelegd, worden doorgegeven in voedselketens. 
Essentiële nutriënten moeten hun weg vinden van de plant naar herbivoren en vervolgens naar carnivoren. Essentiële nutriënten zijn voedingstoffen die dieren niet zelf kunnen aanmaken, maar via planten in voedselketens gebracht moeten worden. Het gaat hierbij vooral om mineralen, vitaminen en aminozuren.
Het herstellen of behouden van een ‘goede’ soortensamenstelling van de vegetatie is geen garantie dat er ook een complete leefgemeenschap van diersoorten aanwezig is. Vanwege de complexe relaties van dieren met hun omgeving, is het standplaatsconcept, zoals succesvol gehanteerd wordt voor plantensoorten op basis van fysische en chemische standplaatsfactoren, niet toereikend voor de fauna. Wil je in het natuurbeheer rekening houden met de fauna, dan is het belangrijk allereerst inzicht te hebben in de verschillende relaties tussen dieren en hun omgeving en bij de uitvoering van maatregelen rekening te houden met de betekenis van schaal en terreinheterogeniteit voor de verschillende levensstadia van dieren. Voor een aantal soorten moet je daarbij ook denken aan de aanwezigheid van gastheren, zoals bijvoorbeeld knoopmieren voor het Gentiaanblauwtje.
Daarnaast zijn niet alleen fysische en chemische standplaatsfactoren van belang voor flora, maar kunnen deze ook effect uitoefenen op de plantkwaliteit en daardoor invloed uitoefenen op diersoorten. Beide processen hoeven niet per se hetzelfde te zijn. Met andere woorden: een ideale maatregel voor het herstel van vegetatie is niet per definitie ook de ideale maatregel voor het bereiken van een goede plantkwaliteit

Betekenis van terreinheterogeniteit en schaalniveaus

Elke soort zijn eigen schaal
Elke soort maakt op zijn eigen schaalniveau gebruik van de leefomgeving. Zo is bijvoorbeeld het foerageerbiotoop van een springstaart ongeveer 1 dm2, van een hommel ongeveer 1 ha en van een Edelhert 100 ha tot meer dan 1 km2. Daarnaast moet een diersoort de benodigde plekken kunnen bereiken. De afstanden die soorten afleggen, verschillen sterk tussen soorten. Zo komt een loopkever van 7 mm lengte per seizoen gemiddeld niet veel verder dan 60 m, terwijl een loopkever van 10-12 mm al tot 150 m komt. Een loopkever van 2 cm lengte kan in één seizoen zelfs afstanden groter dan 1 km afleggen. Vooral de immobiele dieren kunnen hun levenscyclus op een kleine, homogene oppervlakte binnen één vegetatietype voltooien. Dit zijn meestal kleinere en kort-levende soorten (bijvoorbeeld borstelwormen, springstaarten en mosmijten). Deze soorten zullen vrij direct reageren op veranderingen in de standplaatscondities als gevolg van aantastingen en herstelmaatregelen. Veel dieren zijn mobieler en/of leven langer en hebben een complexer ruimte- en tijdgebruik. Deze dieren reageren veelal indirect. Lokale veranderingen (b.v. op plek a) kunnen ook effect hebben op de dieren in de omgeving (b.v. op plek b). De kwetsbaarheid van deze diersoorten is afhankelijk van de verandering en de ecologie van de soort: is de verandering cruciaal (b.v. verdwijnen van het enige voedselbiotoop in de omgeving; verdwijnen van de overwinteringsplaats, in het extreme geval: het verwijderen van de overwinteringsplaats in het winterseizoen), of is de verandering makkelijk te compenseren?

1. Combinaties van landschapsonderdelen
Heterogeniteit kan op verschillende manieren diersoorten faciliteren. Ten eerste zullen in een heterogeen landschap diersoorten worden gefaciliteerd die afhankelijk zijn van combinaties van landschapsonderdelen. Deze verschillende onderdelen kunnen op verschillende tijdstippen worden gebruikt (dag-nacht of seizoensverschillen) en dienen dan binnen de actieradius van dat dier aanwezig te zijn. Van een aantal karakteristieke duinspinnen is bijvoorbeeld bekend dat de volwassen spinnen ’s nachts jagen in open vegetaties van Buntgras (Corynephorus canescens) en korstmossen. Overdag schuilen ze in het strooisel onder Kruipwilg (Salix repens). Andere spinnensoorten zijn voor hun overwintering of tijdens hun juveniele levensfase afhankelijk van dichtere vegetatie. Daarnaast kunnen de verschillende onderdelen ook door verschillende levensstadia worden gebruikt. Dit blijkt onder meer uit onderzoek naar het Knopsprietje (Myrmeleotettix maculatus), de Ratelaar (Chorthippus biguttulus) en de Kustsprinkhaan (Chorthippus albomarginatus) in Voornes Duin. Deze sprinkhanen zetten hun eieren af in open vegetaties. Na het uitkomen migreren de jonge nymfen naar dichtere vegetatie, waarschijnlijk om sterke straling van de zon en andere weersinvloeden te mijden. De volwassen vrouwtjes keren vervolgens weer terug naar open vegetatie om hun eieren af te zetten. Dieren met een grotere actieradius maken gebruik van combinaties van landschapsonderdelen op een groter schaalniveau. Zo kunnen Wulpen (Numenius arquata) foerageren in beekdalen, terwijl zij nestelen in de heide. De actieradius van een soort vertoont tenslotte vaak grote verschillen tussen verschillende levensstadia. Grotere libellensoorten maken hun gehele larvale ontwikkeling door in de oeverzone van een ven, maar zoeken in het adulte stadium de luwte van struwelen of bosranden om te jagen.

2. Bijzondere soorten in overgangsbiotopen of gradiënten
Ten tweede kan heterogeniteit zich ook manifesteren in overgangsbiotopen of gradiënten. Het kan gaan om meer of minder geleidelijke overgangen in o.a. vocht, licht, mineralen- of voedselrijkdom. Deze gradiënten kunnen veel (bijzondere) soorten herbergen. Een verklaring hiervoor kan zijn dat een soort zeer specifieke omgevingscondities nodig heeft, die alleen in een gradiënt voorkomen. Een soort kan afhankelijk zijn van bepaalde zeer stabiele omstandigheden. Bijvoorbeeld een plek die een constante vochtigheid of temperatuur heeft, doordat er jaarrond kwelwater uittreedt, of een vochtgradiënt waarbinnen een dier gedurende het hele seizoen de juiste vochttoestand kan vinden door zich te verplaatsen binnen een beperkte ruimte. Daarnaast kan er in een gradiënt ook sprake zijn van een verminderde concurrentiedruk. Bijvoorbeeld: In het middendeel van een gradiënt in vochttoestand kan het te nat zijn voor de soorten van droge milieus, maar te droog voor de soorten van natte milieus. In deze overgangsituaties zijn vaak soorten te vinden die alleen hier hun plaats vinden; in dit voorbeeld: soorten van halfnatte milieus. Soorten die zijn aangepast aan dergelijke, vaak onvoorspelbare biotopen zijn doorgaans slechte concurrenten. Zij investeren in aanpassingen om weerstand te kunnen bieden aan de onvoorspelbaarheid van deze milieus, wat terugbetaald moet worden door verlies aan concurrentiekracht. Soorten van halfnatte milieus zouden in principe best in natte of droge milieus voor kunnen komen, maar kunnen zich hier niet handhaven: zij verliezen er de concurrentie met soorten die gespecialiseerd zijn in de natte of juist droge milieus. Het bestaan van dergelijke gradiënten is overigens zowel voor plantensoorten als diersoorten van grote betekenis.

3. Heterogeniteit biedt mogelijkheden voor risicospreiding
Ten derde kan terreinheterogeniteit op het niveau van populaties belangrijk zijn voor risicospreiding. Als gevolg van heterogeniteit zijn er plekken (refugia) waar verstoringen (predatie, droogte, ziekte) niet tegelijkertijd of overal een even sterk effect sorteren. In deze refugia kunnen individuen overleven van waaruit de populatie zich kan herstellen. Bijvoorbeeld: in een landschap komen diepe en ondiepe wateren voor (heterogeniteit). Soort A komt sub-optimaal voor in diepe wateren (alleen langs de oever) en optimaal in de ondiepe wateren. Tijdens extreme droogte vallen alleen de diepe wateren niet geheel droog en fungeren daarmee als refugia. Na de droogteperiode kan vanuit deze refugia herstel optreden. In een tienjarige studie naar waterdieren in een laaglandbeek in Brabant, bleek terreinheterogeniteit (verschillen in stroomsnelheid, opschoning, zuurgraad, droogval) dan ook een belangrijke factor te zijn voor de handhaving van populaties van deze waterdieren.

4. Oriëntatie op structuurverschillen
Terreinheterogeniteit is niet alleen in strikte zin, als bijdrage aan het leefgebied, van belang. Ze is ook van belang bij het oriëntatiemechanisme van veel mobiele diersoorten. Zo is terreinheterogeniteit van belang voor dieren die zich verplaatsen in het landschap en zich daarbij oriënteren op structuurverschillen, zoals overgangen tussen open plekken en hogere of dichte vegetatie. Veranderingen in de structuur van de vegetatie, bijvoorbeeld door verruiging als gevolg van stikstofdepositie, maar ook door veranderingen in het maai- of begrazingsbeheer, kunnen leiden tot het wegvallen van een van de elementen waarop deze soorten vertrouwen: de aanwezigheid van bepaalde habitatstructuren ten behoeve van de oriëntatie.

Hele levenscyclus van een organisme van belang voor het beheer
In de bovenstaande tekst zijn verschillende elementen genoemd die van belang zijn voor fauna. Een habitat voldoet pas aan de eisen van een soort, wanneer aan alle afzonderlijke eisen tezamen voldaan wordt. Het volgende voorbeeld illustreert dit.
Meerdere factoren kunnen verantwoordelijk zijn vooor de achteruitgang van de Grote parelmoervlinder (Argynnis aglaja), een bewoner van heiden, schraalgraslanden, moerassen en duinen. Allereerst vormt de achteruitgang van karakteristieke planten van voedselarme en zwakgebufferde milieus als gevolg van verdroging, verzuring en vermesting een belangrijk knelpunt. Voor de rupsen is het verdwijnen van hun waardplanten (viooltjes) als gevolg van deze Ver-factoren een groot knelpunt. De adulten zijn voor hun nectarvoorziening aangewezen op planten met grote bloemen, die in de periode van midden juni tot midden augustus beschikbaar moeten zijn. Deze zijn vaak niet in directe nabijheid van het rupsenhabitat aanwezig. Vlinders migreren daarom tussen voedselplanten (grote bloemen; onder andere distels) en ei-afzetplanten (viooltjes). In de periode van de ei-afzet reageren de vlinders sterk op patronen in structuurverschillen in de vegetatie en verkennen zowel mozaïeken als zomen: structuren in het landschap worden gebruikt voor de oriëntatie en dragen bij aan het efficiënt zoeken van nectar- en waardplanten door de vlinders. Voor zowel de rupsen als de adulten kunnen meerdere factoren leiden tot een vermindering van geschiktheid van het habitat. Zowel waardplanten, bloemplanten, als structuurvariatie verdwijnen door de verruiging van de vegetatie als gevolg van Ver-factoren. Ook het tijdstip en de wijze van maaibeheer kunnen knelpunten opleveren. Rupsen kunnen worden uitgemaaid door te intensief maaibeheer op een ongeschikt tijdstip in het jaar. Voedselplanten kunnen worden verwijderd door te intensief maaibeheer op een ongeschikt tijdstip in het jaar. Tenslotte kan te intensief maaibeheer leiden tot het verdwijnen van de variatie in horizontale en verticale vegetatiestructuren,die de Grote parelmoervlinder gebruikt bij zijn oriëntatie in het landschap. In dit voorbeeld is het gefaseerd uitvoeren van maatregelen dus een betere methode dan een integrale beheermethode. En een goede timing van het beheer kan in dit geval sterk negatieve effecten zoveel mogelijk beperken.


Met bijdragen van:
Gert-Jan van Duinen, Wilco Verberk, Arnold van den Burg en Joost Vogels

Literatuur
Baaijens, G.J., 1985. Over grenzen. De Levende Natuur 86: 102-110.
Bink, F.A., 1992. De ecologische atlas van de dagvlinders van Noordwest Europa. Schuyt & Co, 512 pp.
Bink, F. 2010. Ruimte voor insecten. Een nieuwe visie op insectenbescherming. KNNV uitgeverij.
Bink, F.A., A.J. Beintema, H. Esselink, J. Graveland, H. Siepel & A.H.P. Stumpel, 1998. Fauna-aspecten van effectgerichte maatregelen. Preadvies fauna. IBN-rapport 431, Wageningen. 191 pp.
Boer, P. den, 1990. Isolatie en uitsterfkans. De gevolgen van isolatie voor de overleving van populaties van arthropoden geïllustreerd aan loopkevers. Landschap 7: 101-119.
Bonte D., W. Dekoninck & M. Pollet, 2002. Duinstruwelen als habitat voor insecten en spinnen. De Levende Natuur 103: 95-97.
Duinen, G.A. van, H.H. van Kleef, M. Nijssen, C.A.M. van Turnhout, W.C.E.P. Verberk, J. Holtland & H. Esselink 2004. Schaal en intensiteit van herstelmaatregelen: Hoe reageert de fauna? In: G.A. van Duinen et al. (Eds.) Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit - 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het overlevingsplan bos en natuur. Rapport EC-LNV nr. 2004/305, Ede. Pp.189-240.
Houte de Lange, S.M. ten, 1987. Ruimtelijke heterogeniteit en fauna - een literatuurstudie. Landschap 3: 196-215.
Lensink, B.M., 1963.
Distributional ecology of some Acrididae (Orthoptera) in the dunes of Voorne, Netherlands. Proefschrift, Leiden. 443 pp.
Moller Pillot, H.K.M., 2003. Hoe waterdieren zich handhaven in een dynamische wereld. 10 jaar onderzoek in de Roodloop, een bovenloopje van de Reusel in Noord-Brabant. Stichting het Noordbrabants Landschap, Haaren. 192 pp.
Stuijfzand, S.C., C.A.M. Van Turnhout & H. Esselink, 2004. Gevolgen van verzuring, vermesting en verdroging en invloed van herstelbeheer op heidefauna. Basisdocument. Rapport 2004/152 O, Expertisecentrum LNV. 298 pp.
Turnhout, C.A.M. van, S.C. Stuijfzand, M.N. Nijssen & H. Esselink, 2003. Gevolgen van verzuring, vermesting en verdroging en invloed van herstelbeheer op duinfauna. Rapport 2003/153, Expertisecentrum LNV. 270 pp.
Verberk W.C.E.P. & H. Esselink 2003. Faunaherstel vereist de integratie van landschapsecologie en dierecologie. Landschap 20(5): 3-7.
Verberk, W.C.E.P., A.P. Grootjans & A.J.M. Jansen, 2009. Natuurherstel: van standplaats naar landschap. De Levende Natuur 110: 105-110.

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website