Pad: Natuurtypen / Cultuurhistorische bossen (N17) / Park- en stinzenbos (N17.03) / Park- of stinzenbos / Regulier beheer

Park- of stinzenbos

Inhoud van deze pagina:

REGULIER BEHEER
Soort- of systeemgericht?
De bossen: het Midden-Europese ‘Kleebwald’ als voorbeeld
Wel of geen dood hout?
Graslanden: oude huisdierrassen en mediterrane planten

Soort- of systeemgericht?
Natuurbeheer is in principe systeemgericht, ook wanneer een bepaald terrein wordt beheerd met het oog op één of enkele bijzondere soorten of bepaalde successiestadia. Dit is een belangrijk verschil met het beheer van parken en dierentuinen waarin per deelgebiedje (rozenperk, apenkooi etc.) de soortgerichte benadering voorop staat. Ook in park- en stinzenbossen staat de systeemgerichte benadering in alle landschapszones voorop. Echter: om de specifieke waarden van het terrein te behouden zal de beheerder niet kunnen ontkomen aan zeer specifieke soortgerichte maatregelen. Een voorbeeld is het beheer van plekken met het zeldzame Haarlems klokkenspel. Dit zijn doorgaans halfschaduwplekken, zowel in grazige vegetatie als in open bos. Deze ‘soort’ die zich uitsluitend via wortelknolletjes kan vermenigvuldigen, loopt op zijn standplaatsen in de binnenduinrand het risico geleidelijk te verdwijnen als de bodem niet regelmatig met de spitvork wordt losgemaakt en incidenteel bekalkt. In het algemeen geldt op landgoederen echter dat hoe verder van het huis, hoe meer gesloten en natuurlijk de vegetatie wordt en hoe minder gewenst soortgericht beheer.

De bossen: het Midden-Europese ‘Kleebwald’ als voorbeeld
Goed ontwikkelde bossen in stinzenmilieus vertonen opvallende overeenkomsten met een bostype dat in geheel Midden-Europa voorkomt in middelgebergten op een hoogte van 200 tot 900 meter hoog: het ‘Kleebwald’. Dit bostype is kenmerkend voor diep ingesneden beek- of droogdalen, waar het voorkomt op het onderste deel van de helling en aan de hellingvoet. De bodem is hier vochtig, humeus, luchtig en veelal kalkhoudend; de grondwaterfluctuaties zijn gering en de luchtvochtigheid is hoog. Deze standplaatsen zijn door erosie ontstaan. De in het vroege voorjaar bloeiende bol- en knolgeofyten zijn voor hun verspreiding van nature vaak sterk afhankelijk van dit type standplaatsen. Daarbij zijn zij ook afhankelijk van een snelle opwarming van de bosbodem.
Het bosbeheer in stinzenmilieus moet als uitgangspunt hebben dat de hierboven genoemde bodemeigenschappen van het Kleebwald door actief beheer worden gecreëerd en in stand gehouden. Dit gebeurt van oudsher door incidentele, oppervlakkige bodembewerking: schoffelen, harken en inwerken van compost. Traditioneel wordt hiervoor vaak een gecomposteerd mengsel van bladstrooisel, doorgevroren baggerspecie (uit sloten en vijvers) en paardenmest gebruikt. Deze ingrediënten waren vroeger op landgoederen in ruime mate beschikbaar. Bijmenging van kalk is in het algemeen gunstig, vooral op de (iets) voedsel- en kalkarmere standplaatsen. Voor een beoordeling van de urgentie van deze maatregelen kan zowel de (natuurlijke) vegetatie als de strooisellaag als indicator worden gebruikt. Voor alle genoemde maatregelen geldt weer dat zij met toenemende afstand tot het centrum van het gebied (vaak een landhuis omgeven door gazons) in intensiteit dienen af te nemen.

Wel of geen dood hout?
De beheerder van landgoedbossen staat vaak voor moeilijke beslissingen. Vrij baan geven aan de natuurlijke ontwikkeling bijvoorbeeld is niet alleen een goedkope oplossing voor veel problemen, maar ook vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt interessant. Oude, natuurlijke bossen op vergelijkbare groeiplaatsen zijn in ons land vrijwel afwezig en ongestoorde bosontwikkeling zal mogelijk nog vele verrassingen opleveren. Een bestemming als park- of stinzenbos is echter niet verenigbaar met een bestemming als natuurbos met nietsdoen-beheer. Ook voor ongestoorde bosontwikkeling in grote stormgaten is er geen plaats, noch letterlijk noch figuurlijk (zie ‘Gaten in het kronendak’ onder Herstelbeheer).
Het verdient daarentegen ook geen aanbeveling om bij windworp, of na kap, meteen al het dode hout op te ruimen. Dood hout kan, zeker wanneer het gaat om stammen van oude monumentale bomen, een aanzienlijke toename van de biodiversiteit opleveren en tegelijkertijd goed passen in het enigszins kunstmatige, romantische karakter van deze bossen. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van oude, holle en rotte bomen.

Graslanden: oude huisdierrassen en mediterrane planten
Van oudsher werd op veel landgoederen een deel van het grasland in de directe omgeving van het landhuis gebruikt als weiland. Dit had niet alleen een productiefunctie, maar zeker ook een esthetische waarde, waarbij vaak gebruik werd gemaakt van commercieel minder interessante, bijzondere oude rassen als Lakenvelders.
Een groot deel van de graslanden was echter in gebruik als gazon. Er werd gemaaid zonder dat van hooibouw sprake was. In deze gazons groeiden veel van de `verre exoten' onder de stinzenplanten, veelal afkomstig uit mediterrane gebieden en Klein-Azië (bijvoorbeeld Crocus- en Sneeuwroem-soorten), soorten die optimaal gedijen in de warmere en periodiek drogere graslanden. Ook hier geldt dat de optimale bodemomstandigheden kunnen worden omschreven als matig voedselrijk, kalkhoudend, luchtig, kruimelig en humeus. Instandhouding vereist niet alleen een maaibeheer, maar ook een actieve beïnvloeding van de bodem door periodiek licht te bemesten, te bekalken en waar nodig (maar altijd zeer kleinschalig) de bodem met de spitvork iets luchtiger te maken.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website