Pad: Natuurtypen / Cultuurhistorische bossen (N17) / Park- en stinzenbos (N17.03) / Park- of stinzenbos / Inrichting

Park- of stinzenbos

Inhoud van deze pagina:

INRICHTING
Cultuur versus natuur?
Geleidelijke overgangen
Padenstructuur
Schelpenpaden
Boomsoortkeuze
Geen angst voor de esdoorn!

Cultuur versus natuur?
Het bijzondere van de park- en stinzenbossen is dat cultuurhistorische en ecologische waarden elkaar op een voor elk terrein unieke manier versterken. In de praktijk valt dit echter niet mee en zal er voortdurend sprake zijn (of lijken te zijn) van tegenstrijdige belangen. Een werkbaar uitgangspunt zou kunnen zijn dat de cultuurhistorie voorrang heeft als het om de grote landschapsstructuur gaat. Hierbij valt te denken aan padenstructuur, zichtassen, coulissen, parkontwerp met vrijstaande bomen etc. Zo mogelijk kan men rekening houden met het oorspronkelijk tuinontwerp.
Natuurwaarden verdienen dan de prioriteit als het gaat om de ‘stoffering’ van de verschillende landschapsonderdelen: welke soorten op welke standplaatsen, bijpassend beheer. Daarbij dient men voortdurend te beseffen dat de aanwezige natuurwaarden voor een belangrijk deel samenhangen met het historische beheer. De afweging van ecologische tegen cultuurhistorische waarden hoeft overigens niet voor elk deel van het terrein hetzelfde uit te vallen.

Geleidelijke overgangen
Zowel qua cultuurhistorie als qua natuurkwaliteit verdient een geleidelijke overgang van een open, ‘cultuurlijk’ terreingedeelte (vaak nabij het landhuis) naar een gesloten, meer natuurlijk opgaand bos voortdurende aandacht van de beheerder. Het resultaat is de moeite waard: een gradiënt van achtereenvolgens

Padenstructuur
Park- en stinzenbossen zijn geplant om in te wandelen, te genieten en natuurlijk ook om bezoekers te imponeren. Daartoe moest op een vaak beperkte oppervlakte de illusie worden geschapen van uitgestrektheid en onoverzichtelijkheid. Dit deed men op twee manieren: door een hoge padendichtheid gekoppeld aan de aanplant van dicht struikgewas op strategische plekken. Een soort die hier veel voor gebruikt werd is de Sneeuwbes (Symphoricarpos albus). In verwaarloosde landgoedbossen is deze soort echter gaan woekeren en dient ze te worden teruggedrongen.

Schelpenpaden
Traditioneel werden paden in park- en stinzenbossen vaak – en vooral in de binnenduinrand – verhard met schelpen. Op beperkte schaal gebeurt dit nog steeds. Naast hun cultuurhistorische waarde (authenticiteit) geeft verharding met schelpen een belangrijke ecologische waarde. Door uitspoeling van kalk worden de padranden gunstig beïnvloed, maar veel belangrijker is dat bij het onderhoud van de paden (periodiek bijstorten van schelpen) kalkstof metersdiep het bos instuift. Dit heeft een voor de stinzenflora positief effect op de zuurgraad en de bodemstructuur, temeer daar schelpengruis zeer geleidelijk calcium vrijgeeft, in tegenstelling tot landbouwkalk.

Boomsoortkeuze
De grote variatie in boomsoorten in park- en stinzenbossen verhoogt de variatie in milieutypen en is alleen al daarom in ecologisch opzicht gunstig. Een spaarzame gebruik van exoten in de boomlaag is hierbij zeker niet bezwaarlijk. Niet alle boomsoorten zijn echter even geschikt, wat verband houdt met de lichtonderschepping en het geproduceerde bladstrooisel. Loofboomsoorten zijn in het algemeen te verkiezen boven naaldbomen; het gebruik van enkele verspreid staande coniferen is echter geen probleem. Boomsoorten die weinig licht doorlaten zoals beuk en esdoorn, mogen niet over grote oppervlakten domineren.
Ook los van de boomsoortkeuze en manier van aanplanten (niet te dicht opeen) dient het lichtklimaat een voortdurend punt van aandacht te zijn: stinzenbossen zijn lichter dan natuurbossen en productiebossen. Tenslotte zijn soorten met goed afbreekbaar `rijk' bladstrooisel gunstiger dan die met slecht afbreekbaar `arm' strooisel. Es, Abeel, Iep, Esdoorn en vooral Linde zijn in dit opzicht een goede keuze. Eik en Beuk geven strooisel met een minder gunstige kwaliteit. Hoe zwaar dit weegt wordt sterk bepaald door de bodemgesteldheid. Op zandgronden is wat strooisel betreft de boomsoortenkeuze belangrijker dan op kleigronden. Zandgronden zijn immers gevoeliger voor verzuring, waardoor slecht verterend blad¬strooisel eerder een probleem kan gaan vormen. Dit geldt uitdrukkelijk ook voor kalkhoudende duinzanden. Die genieten door de aanwezige schelpfragmentjes weliswaar de tijdelijke luxe van veel kalk, maar zijn – na uitloging van de bovengrond door regen – door gebrek aan leem en organische stof slecht gebufferd tegen verzuring.

Geen angst voor de esdoorn!
Het is gebruikelijk de Gewone esdoorn in Nederlandse bossen als een ongewenste exoot te beschouwen. Een kwalificatie als `laatkomer' onder de Nederlandse boomsoorten doet de soort echter meer recht. Hoewel de Gewone esdoorn waarschijnlijk pas in de middeleeuwen in het westen van ons land werd ingevoerd, is het waarschijnlijk dat hij vroeg of laat ook via natuurlijke weg (langs de grote rivieren) ons land bereikt zou hebben.
Esdoornzaailingen kunnen in veel landgoedbossen vaak dicht opeen opgroeien en worden op de meeste plaatsen dan ook fel bestreden. Vroeg in het groeiseizoen hakken is vaak afdoende. `s Winters hakken resulteert in dichte en zeer donkere hakhoutvormen, die nauwelijks enige ondergroei toelaten. Dergelijke groeivormen worden echter, evenals bij de Sneeuwbes, plaatselijk met opzet bevorderd om de intimiteit van de wandelpaden te verhogen. 
Hoewel Gewone esdoorn en Beuk duidelijk verschillen in vestigingsmogelijkheden, komen deze twee soorten in veel opzichten sterk overeen. Eenmaal gevestigd hebben ze in de meeste stinzenmilieus een uitstekende groeiverwachting. Beide soorten kennen ook een snelle jeugdgroei, vormen stakerige jonge bomen en (vooral in de jeugdfase) een zeer donker bos. Beide soorten leveren tenslotte in volwassen toestand `monumentaal' hout, een aspect van de esdoorn dat in ons land nauwelijks bekend is. In oude bossen weet weer meer licht tot de bosbodem door te dringen. Belangrijke verschillen betreffen echter de strooiselvertering en de leeftijd. In beide opzichten lijkt de esdoorn zeker niet minder kansen te bieden voor de ontwikkeling van een stabiel bosmilieu. In de eerste plaats wordt de levensverwachting van de bomen geschat op maar liefst 4 tot 6 eeuwen. Esdoornblad vormt bovendien een snel verteerbaar strooisel, ook in wat zuurdere omstandigheden. Van een ver¬sneld verzuringproces onder invloed van esdoorn is dan ook – anders dan bij Beuk – zelfs onder relatief voedselarme omstandigheden geen sprake. De esdoorn kan daarmee beschouwd worden als een waardevol onderdeel van park- en stinzenbossen, en hoeft zeker niet altijd gericht bestreden te worden.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website