Pad: Natuurtypen / Cultuurhistorische bossen (N17) / Droog hakhout (N17.02) / Eikenhakhout / Inrichting

Eikenhakhout
 
INRICHTING

Wat is ons referentiebeeld?
Bij het ontwikkelen van nieuw eikenhakhout, bij voorkeur op een oude bosbodem of aansluitend op een oude boslocatie, kan het nuttig zijn om uit te gaan van een referentiesituatie. Hetzelfde geldt uiteraard voor het herstellen van een oud en doorgeschoten hakhoutperceel. Maar wat is de juiste referentie? Zowel de laatste restanten eikenhakhout in ons land (gekenmerkt door een zekere eenvormigheid) als de gedetailleerde beschrijvingen van het hakhoutbedrijf uit de 19de eeuw doen waarschijnlijk geen recht aan de historische en ecologische variatie. De 19de eeuw was een tijd van rationalisatie op vele fronten en de bosbouw vormde geen uitzondering. De steeds groeiende vraag naar eikenbast voor de leerlooierij (‘eek’) en brandhout leidde tot een optimalisatie van de productiewijze. Dat resulteerde in een zekere standaardisatie van het hakhoutbedrijf waarbij eventueel aanwezige overstaanders werden weggerationaliseerd. Bovenstaanders verkleinen namelijk het lichtaanbod op de hakhoutstruiken en daarmee – op arme bodems – tot een slechtere regeneratie van de afgezette stoven. De kansen voor echte middelhoutsystemen mét overstaanders waren (en zijn) dus beter op de betere gronden, zoals de Zuid-Limburgse leembodems. Eenzelfde lot trof waarschijnlijk het gemengde hakhout waarin meerdere soorten naast elkaar groeiden. De tijdgeest van rationalisatie verlangde hier ontmenging.
De beheerder van nu hoeft zich echter weinig gelegen te laten liggen aan de 19de-eeuwse hang naar efficiëntie en maximalisatie van de productie. Historisch-ecologisch onderzoek zal ons in de toekomst hopelijk een breder palet aan referentiebeelden verschaffen dan waarover wij nu beschikken. Tot die tijd lijkt het nuttig om op kleine schaal te experimenteren met alternatieven, bijvoorbeeld door verspreid over een perceel opgaande bomen aan te houden (richtaantal maximaal 50-100 per ha). Dit kan zeker ecologische winst opleveren, bijvoorbeeld doordat zo een geschikte habitat beschikbaar komt voor soorten met een voorkeur voor hogere, maar goed door de zon beschenen bomen. Een voorbeeld van een dergelijke soort is de Eikenpage (Neozephyrus quercus). Bijkomende voordelen van het pleksgewijs handhaven van enkele ‘overstaanders’ zijn dat na kap een aantrekkelijker bosbeeld ontstaat, en dat er lokale zaadbronnen aanwezig zijn voor de verjonging in het hakhout.
Verder helpt menging van eiken (in de hakhoutlaag en als overstaanders) met boomsoorten met een ‘rijk’, goed afbreekbaar bladstrooisel – bijvoorbeeld de Winterlinde – de terugkeer van bossoorten die gebonden zijn aan een relatief goed gebufferde bovengrond.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website