Pad: Natuurtypen / Cultuurhistorische bossen (N17) / Vochtig hakhout en middenbos (N17.01) / Wilgengriend / Regulier beheer

Wilgengriend

Inhoud van deze pagina:

REGULIER BEHEER
Tegengaan van verruiging
Opvullen van open plekken
Bodemvruchtbaarheid op peil houden

Tegengaan van verruiging
Het beheer van de wilgengrienden was in het verleden een zeer arbeidsintensieve aangelegenheid, met name in de eerste paar jaar na de kap. Een van de belangrijkste activiteiten was het tegengaan van verruiging, waarbij brandnetels en distels de grootste bedreiging vormden. Verruiging was om meerdere redenen een probleem:

Terwijl op de kades met de zeis werd gemaaid, werd in de grienden zelf vooral handmatig gewied. In later jaren werd ook chemische onkruidbestrijding toegepast. De laatste maatregel is onverenigbaar met ecologische doelstellingen, terwijl handmatig wieden vanwege de hoge kosten vrijwel nergens meer wordt toegepast. De consequentie is dat veel (voormalige) griendbossen nu sterk verruigd zijn, vooral in het (eveneens voormalige) zoetwatergetijdengebied.

Opvullen van open plekken
Wilgengrienden waren van oudsher zeer dynamische milieu’s, gevoelig voor schade door plaagdieren, schimmels (roest), vraat door grote en kleine zoogdieren, ijsgang en ongunstige weersomstandigheden. Er stierven dan ook regelmatig wilgenstoven af. Naast het directe productieverlies was er ook indirecte schade. Stoven die grenzen aan open plekken lopen te breed uit, hetgeen leidt tot kwaliteitsverlies (‘kromhoutigheid’). Het inboeten van open plekken vormde dan ook een belangrijk onderdeel van het traditionele beheer. Een bijplant van 10% van het aanwezige aantal stoven per kapbeurt was gangbaar. Dit duidt op een relatief hoge omloopsnelheid van de stoven.

Bodemvruchtbaarheid op peil houden
Wilgengrienden werden van oudsher aangelegd op plekken met een – vanuit agrarisch oogpunt – slechte waterhuishouding maar hoge bodemvruchtbaarheid. De commerciële wilgenteelt vereiste echter zoveel voedingsstoffen en met name stikstof dat toch steeds het risico van tekorten aanwezig was. Door het slib dat vrijkwam bij het schonen van de greppels door het bos te verspreiden, trachtte men te voorkomen dat een griend ‘versleten’ raakte. Voor de buitendijkse grienden – met hun externe slibaanvoer – was dit voldoende. In binnendijkse grienden werd echter ook van tijd tot tijd extra (stal)mest aangevoerd. Dit had dan tevens als voordeel dat in het eerste jaar na de hak tussen de stoven aardappels geteeld konden worden. Ook door periodiek diep te spitten trachtte men de natuurlijke bodemvruchtbaarheid te herstellen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website