Pad: Natuurtypen / Cultuurhistorische bossen (N17) / Vochtig hakhout en middenbos (N17.01) / Wilgengriend / Bedreigingen

Wilgengriend

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Economische haalbaarheid
Gebruik van herbiciden
Veranderde waterhuishouding
Verontreiniging
Gebrek aan landschappelijke samenhang
Erosie

Economische haalbaarheid
Griendbossen zijn cultuurbossen. Ze zijn aangelegd op specifieke groeiplaatsen en leveren een specifiek product: wilgentakken en wilgenhout met een relatief geringe diameter. In het verleden was hier veel vraag naar (zie ‘Een lange geschiedenis’ onder Betekenis en kenschets). Tegenwoordig is de markt voor dit type wilgenhout beperkt. Recente toepassingen zijn al weer grotendeels achterhaald (deltawerken) of nog hoogst onzeker (energiebron). Daarbij komt dat het griendwerk zeer zwaar en arbeidsintensief en dus kostbaar is. Het hakken van een griend samen met het bijplanten van wilg en het onderhoud van de greppels en de dijk in handkracht kost meer dan € 12.000,- per ha. Dit alles betekent dat de vooruitzichten voor de commerciële griendcultuur slecht zijn. Op enkele plaatsen, met name in het zoetwatergetijdengebied, komen nu nog onderhouden grienden voor. Deze grienden worden om cultuurhistorische reden onderhouden en kunnen door recreanten worden bezocht.
Verreweg de meeste griendbossen worden sinds 1970 niet meer onderhouden en hebben zich ontwikkeld tot wilgenvloedbossen. Recente stormen, zoals die van 27 oktober 2002, hebben er voor veel windval in het eenvormig opgebouwd kronendak gezorgd. Dit heeft niet geleid tot vestiging van andere struik- of boomsoorten. De open plekken zijn ingenomen door ruigtkruiden van de ondergroei (Grote brandnetel en Reuzenbalsemien). De omgevallen wilgen lopen vrijwel allemaal weer uit, waarbij meer natuurlijke wilgenbossen met een gevarieerde structuur ontstaan. Deze behoren echter niet meer tot de wilgengrienden.

Gebruik van herbiciden
In de griendcultuur is bestrijding van ruigtkruiden in de eerste jaren na de kap een belangrijke beheermaatregel. Traditioneel werd dit gedaan door handmatig te wieden. Vanuit kostenoogpunt is dit in de commerciële griendcultuur nauwelijks meer haalbaar. Gebruik van herbiciden is dan een voor de hand liggend alternatief. Vanuit ecologisch oogpunt is dit uiteraard geen optie. In griendbossen die in eigendom en/of beheer zijn bij natuurbeheerorganisaties vindt daarom normaal gesproken geen ‘onkruid’-bestrijding meer plaats. Dit levert op termijn risico’s op voor de oude wilgenstoven. Om de identiteit van de grienden als cultuurhistorisch bostype zo goed mogelijk te bewaren is daarom enige vorm van vegetatiebeheer gewenst (zie ook ‘Tegengaan van verruiging’ onder Regulier beheer).

Veranderde waterhuishouding
De griendbossen hebben van oudsher een specifieke waterhuishouding. Voor de binnendijkse grienden gelden vanuit het oogpunt van bosteelt duidelijke randvoorwaarden ten aanzien de grondwaterstand (zie ‘Zorg voor de waterhuishouding’ onder Inrichting). Met name voor de grienden in de komkleigebieden geldt dat deze in de loop van de vorige eeuw hydrologisch sterk beïnvloed zijn door veranderingen in het omliggend gebied, dat pas na de Tweede Wereldoorlog in intensief agrarisch gebruik is genomen. Voor de grienden van het zoetwatergetijdengebied geldt dat de hele infrastructuur van de waterbeheersing was gericht op regulatie van de overstromingsfrequentie en daaraan gekoppeld de geleidelijke opslibbing van de bosbodem. Door het (grotendeels) wegvallen van de getijdenwerking is hier in ecologisch opzicht een enorme nivellering van de oorspronkelijke zonering opgetreden. De oorspronkelijke variatie aan begroeiingtypen is over zeer grote oppervlakten vervangen door doorgegroeide griendbossen met een zeer hoge, dichte en gesloten ondergroei van Grote brandnetel.

Verontreiniging
De ligging aan de grote rivieren maakt de buitendijkse grienden zeer gevoelig voor verontreiniging vanuit het achterland. Dit geldt in nog sterkere mate voor het (voormalige) zoetwatergetijdengebied, waar de waterbeheersing was gericht op opslibbing van de bodem en dat niet ten onrechte wordt beschouwd als het afvalputje van Europa. Voor zowel uiterwaarden als getijdengebied geldt dat de kleigronden met hun hoge adsorptiecapaciteit verontreinigingen (zeer) lang zullen vasthouden, ook wanneer de waterkwaliteit van de grote rivieren geleidelijk verbetert.

Gebrek aan landschappelijke samenhang
Door ruilverkavelingen in het aangrenzende gebied zijn na de Tweede Wereldoorlog veel binnendijkse grienden als eilanden in een cultuursteppe komen te liggen. Dit heeft niet alleen gevolgen gehad voor de waterhuishouding, maar ook voor de kans op uitsterven van zeldzame en kwetsbare soorten. Er zijn effecten op soorten die afhankelijk zijn van zowel het natte griendmilieu, als van een iets drogere, maar wel gevarieerde omgeving. Zo gebruiken veel amfibieën natte wilgenbossen alleen als zomerbiotoop.

Erosie
Een specifiek probleem van het voormalige zoetwatergetijdengebied en de benedenstroomse uiterwaarden is de erosie van oevers die sinds de uitvoering van de Deltawerken sterk is toegenomen. Gevreesd wordt dat hierdoor op termijn aanzienlijke oppervlakten (voormalig) griendbos zullen verdwijnen. Anderzijds kan worden aangevoerd dat versterkte erosie wellicht kan helpen de stagnerende vegetatieontwikkeling in de doorgeschoten, door brandnetels overwoekerde grienden weer vlot te trekken.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website