Pad: Natuurtypen / Bossen met productiefunctie (N16) / Vochtig bos met productie (N16.02) / Cultuurbos (vochtig) / Inrichting

Cultuurbos

Inhoud van deze pagina:

INRICHTING
Aanleg van nieuw bos
Locatiekeuze
Ontwikkeling bosbodem
Ook in nieuw bos is afwisseling cruciaal

Aanleg van nieuw bos
Vrijwel alle bos in ons land is aangelegd en van dit aangelegde bos is het overgrote deel aangeplant met één hoofddoel: hout produceren. In de laatste halve eeuw is deze situatie radicaal veranderd. Bestaande bossen werden ‘multifunctioneel’, waarbij de productiefunctie in de praktijk vaak zelfs ondergeschikt werd aan recreatie en natuur. In de bossen die tegenwoordig nieuw worden aangelegd als recreatiebos of in het kader van natuurontwikkeling (jaarlijks zo’n 1000 tot 1500 hectare), is de productiefunctie meestal zelfs volledig losgelaten. Dergelijke bossen vallen niet onder onze definitie van cultuurbos. De verwachting is echter dat in de nabije toekomst op wereldschaal de vraag naar hout zo sterk zal stijgen dat aanleg van jong productiebos economisch aantrekkelijk zo niet noodzakelijk zal worden. Bovendien ontwikkelt zich in deze nieuwe bossen vanzelf een flink houtvolume dat prima geoogst kan worden wanneer maatschappelijke ontwikkelingen ertoe leiden dat de recreatie- of natuurbossen in functie worden geherwaardeerd tot productiebossen.

Locatiekeuze
Wat kunnen wij nu doen om te zorgen dat in deze nieuwe ‘cultuurbossen’, binnen de randvoorwaarde van houtproductie als hoofdfunctie, de kansen voor de natuur optimaal benut worden. In de eerste plaats is de locatiekeuze van groot belang. Het gaat daarbij om

Om het laatste punt uit te diepen: veel aan bos gebonden soorten (planten en dieren) verplaatsen zich slechts zeer traag door het landschap; ze zijn niet of nauwelijks in staat grote afstanden door open landbouwgebieden te overbruggen. De aanleg van nieuwe houtsingels of boscorridors is daarom zeker zinvol, maar we mogen ons in dit opzicht niet rijk rekenen. De landbouwdruk op smalle landschapselementen (onder andere door inwaai van meststoffen) is – zeker vergeleken bij de historische situatie – enorm, wat de betekenis van de corridors voor veel kritische soorten aanzienlijk vermindert. In het algemeen geldt dan ook: hoe breder de corridor, des te kansrijker. Maar ook bij brede corridors of zelfs bij een ligging aansluitend op oude boskernen is de kans op snel succes erg klein. Het probleem is namelijk niet alleen de geringe dispersiesnelheid van de bossoorten, maar ook de langzame tempo waarin bosbodems zich ontwikkelen.

Ontwikkeling bosbodem
Terwijl in het verleden vaak de extreme armoede van het substraat een knelpunt vormde voor de bosontwikkeling (vooral op de pleistocene zandgronden), is tegenwoordig juist de overdaad aan voedingsstoffen op voormalige landbouwgronden een probleem. Bij bosaanleg met natuurontwikkeling als hoofddoel wordt daarom – terecht of niet – vaak gekozen voor uitmijnen of afgraven van de bovengrond. Bij de aanleg van een jong productiebos ligt dit niet zo voor de hand. Om toch te voorkomen dat de overmaat aan voedingsstoffen eindeloos de soortensamenstelling van de ondergroei blijft frustreren zijn twee zaken van belang. In de eerste plaats is het aan te bevelen om naast de hoofdboomsoort ook een tweede boomlaag en/of struiklaag aan te planten die vanaf het begin zorgt voor weinig licht op de bosbodem. Dit geeft ruigtkruiden veel minder kansen, en vergroot daarmee de kans op vestiging van andere soorten. Daarnaast is het aan te bevelen om – al dan niet in menging – zoveel mogelijk gebruik te maken van soorten met een goed verterend bladstrooisel zoals Es, Iep, Linde, Abeel, Gewone Esdoorn, wilgen, populieren, Hazelaar en Meidoorn. Deze bevorderen de vastlegging van voedingsstoffen in stabiele humus.

Ook in nieuw bos is afwisseling cruciaal
Het derde aspect dat vanuit natuuroogpunt erg belangrijk is bij de aanleg van nieuw cultuurbos, is afwisseling, binnen de opstanden maar meer nog tussen de opstanden. Het gaat daarbij in de eerste plaats om verschillen in boomsoortsamenstelling. Ook verspreid aangelegde naaldboomopstanden – al dan niet als monocultuur – kunnen hierbij een specifieke waarde toevoegen (zie ook ‘Specifieke waarden’ onder Betekenis en kenschets). Daarnaast is het belangrijk om zoveel mogelijk te streven naar ‘zachte’ overgangen tussen de aan te leggen bosopstanden en korte vegetaties. Geleidelijke bosranden en brede bospaden zijn hierbij van grote betekenis en kunnen al bij het ontwerp gepland worden (zie ook ‘Bosrandbeheer’ onder Herstelbeheer). Hetzelfde geldt voor permanente open ruimtes zonder bosbegroeiing.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website