Pad: Natuurtypen / Bossen met productiefunctie (N16) / Vochtig bos met productie (N16.02) / Cultuurbos (vochtig) / Bedreigingen

Cultuurbos

Inhoud van deze pagina: 

BEDREIGINGEN
Vooral oude bosgroeiplaatsen zijn kwetsbaar
Te donker …
… of te licht
Uniforme bosstructuur
Bodemverdichting
Eenzijdige leeftijdsopbouw

Vooral oude bosgroeiplaatsen zijn kwetsbaar
Bedreigingen voor de natuurfunctie moeten binnen de voorwaarden voor houtproductie worden beoordeeld. Omdat het beheer vanuit de houtproductiefunctie leidt tot minder spontane sterfte en er hout uit het bos verdwijnt, is er uiteraard veel minder dood hout aanwezig dan in meer natuurlijke bossen. Het omzagen van bomen voorkomt veelal dat bomen omwaaien en dat er op de bosbodem wortelkluiten ontstaan. De belangrijkste bedreigingen voor reeds aanwezige natuurwaarden doen zich voor op oude bosgroeiplaatsen waar diverse soorten met een geringe dispersiecapaciteit kunnen voorkomen (zie ‘Oude bosgroeiplaatsen en structuren zijn extra belangrijk’ onder Betekenis). De belangrijkste bedreigingen worden hieronder besproken.

Te donker …
Langdurige dominantie van schaduwgevende boomsoorten zoals in beukenbos en door Douglasspar gekoloniseerd eikenbos leidt tot het verdwijnen van lokale populaties van oudbossoorten. Deze soorten kunnen zich dan hoogstens langs de randen van deze opstanden of langs paden handhaven. In combinatie met de stapeling van slecht verteerbaar strooisel, zoals onder Beuk, is herstel vrijwel uitgesloten. Ook opstanden met dominantie van Amerikaanse eik zijn in beide opzichten (schaduw, strooisel) zeer ongunstig. De negatieve effecten zijn afhankelijk van het ontwikkelingsstadium van het bos. Tot en met de stakenfase en jonge boomfase is het lichtniveau in opstanden van deze soorten zelfs voor schaduwtolerante soorten te laag. Afhankelijk van het beheer kan in de latere boomfase weer voldoende licht tot de bodem doordringen voor deze soortengroep.

… of te licht
Opstanden van lichtboomsoorten krijgen door dunning uiteindelijk een homogene, lichtrijke bosstructuur. Er ontstaat dan een persistente ruigtevegetatie (op voedselrijke bodem) of een dichte bramenlaag (op minder voedselrijke bodem) waardoor de weinig concurrentiekrachtige soorten van oude bossen verdwijnen. Op armere bodems, zoals in oude bossen op de stuwwallen, leidt dunning tot een open bosstructuur die ongunstig is voor epifytische bladmossen. Het bos wordt niet alleen te licht, maar ook de voor deze soortengroep benodigde hoge luchtvochtigheid wordt niet meer gehaald.

Uniforme bosstructuur
In jongere heide- en stuifzandbebossingen kan dunning (ook hoogdunning en selectie van toekomstbomen) leiden tot relatief lichtrijke opstanden met een uniforme bosstructuur. Als gevolg hiervan ontwikkelt zich ook hier een uniforme kruid- en struiklaag, met dominantie van Bochtige smele, Pijpenstrootje, Blauwe bosbes, Zwarte braam of Amerikaanse vogelkers. Omvormingsmaatregelen, zoals mozaïekbeheer, leiden in deze toch al lichtrijke omstandigheden tot een nog hogere lichtbeschikbaarheid waardoor de dominantieverhoudingen verder worden versterkt. In het algemeen maken alle beheeringrepen een bos lichter, terwijl juist het contrast tussen donkere en lichte plekken van groot belang is voor een meer natuurlijk lichtklimaat.
Ook het verwijderen van bomen met een (voor houtproductie) ongunstige groeivorm, bastwonden en dergelijke is ongunstig. Hierdoor kunnen relictpopulaties van (korst)mossen verdwijnen en blijft het cultuurbos lange tijd ongeschikt voor holenbroeders en marters.

Bodemverdichting
Voor de ontwikkeling van een bosecosysteem is een zekere mate van verstoring essentieel (zie ‘Oude bosgroeiplaatsen en structuren zijn extra belangrijk’ onder Betekenis). Dit wil echter niet zeggen dat elke vorm van verstoring positief is. Een nadeel van de moderne oogsttechnieken is de verdichting van de bosbodem door ‘betreding’ met zwaar rijdend materieel. De schade aan de bodemstructuur en -drainage kan langdurige gevolgen hebben voor het bodemleven en de strooiselvertering, met waarschijnlijk negatieve gevolgen voor de soortensamenstelling van de ondergroei en de fauna. Voor welke soortgroepen en op welke groeiplaatsen precies knelpunten zullen ontstaan is overigens nog niet geheel duidelijk.

Eenzijdige leeftijdsopbouw
In Nederlandse bossen zijn bijna nergens gedeelten te vinden in de – ecologisch zeer waardevolle – aftakelingsfasen. Voor cultuurbossen geldt dit uiteraard nog meer dan voor onze natuurbossen. Aan de andere kant zien wij dat ook de jonge bosfase zeldzamer wordt. De afgelopen decennia wordt namelijk in toenemende mate waarde gehecht aan bos met grote oude bomen. Ieder bestaand bos heeft de potentie tot een oud bos door te groeien, en vanwege de gemiddeld jonge leeftijd van de meeste bossen heeft dat tot een sterke afname geleid van de verjonging. Juist in de verjongingsfase van het bos ontstaan vestigingsmogelijkheden voor soorten die afhankelijk zijn van licht, warmte en bodemroering. Ook hier geldt overigens dat nog niet geheel duidelijk is voor welke soortgroepen en op welke groeiplaatsen de schaarste aan jonge bosopstanden precies knelpunten oplevert.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website