Pad: Natuurtypen / Bossen met productiefunctie (N16) / Droog bos met productie (N16.01) / Cultuurbos (droog) / Regulier beheer

Cultuurbos

Inhoud van deze pagina: 

REGULIER BEHEER
Regulier: algemeen en positief voor natuur
Dunnen
Verjongen
Dood hout
Boomsoortkeuze
Structuurvariatie
Exploitatie

Regulier: algemeen en positief voor natuur
Onder de noemer van ‘regulier beheer’ worden hier maatregelen besproken die positief kunnen doorwerken op de natuurwaarde van het bos en die nu al gemeengoed zijn. Deze maatregelen zijn voor een deel primair gericht op houtproductie en recreatie, en voor een ander deel direct op het verhogen van de natuurwaarde.

Dunnen
Dunnen is de belangrijkste maatregel die een bosbeheerder tot zijn beschikking heeft om de bosontwikkeling te sturen. Bij dunning worden de ‘beste’ bomen bevoordeeld door het verwijderen van concurrenten. Vanuit natuuroogpunt is een belangrijk neveneffect dat plaatselijk meer licht tot de bosbodem kan doordringen. Daarmee ontstaat ruimte voor de vestiging van licht- en warmtebehoevende diersoorten en ondergroeisoorten. Dit is in eerste instantie een tijdelijk effect: na dunningen in de stakenfase en vroege boomfase zal het kronendak van de overblijvende soorten zich bij een normale dunning na een aantal jaren weer sluiten zodat lichtniveaus weer sterk dalen. Pas in de latere boomfase zal het kronendak zich na dunning niet meer geheel sluiten, zodat permanent meer licht de bosbodem kan bereiken. Vanuit het oogpunt van natuurwaarden kunnen dunningen daarom wat forser worden ingezet (zodat permanent ruimte blijft bestaan tussen de kronen). Daartoe kan het grondvlak tot zo’n 80% van het normale grondvlak worden teruggebracht zonder dat noemenswaardig productieverlies optreedt.
Een veel toegepaste manier van dunnen is de hoogdunning met toekomstboomselectie. Hierbij wordt in een vroeg stadium van de bosontwikkeling een aantal toekomstbomen geselecteerd (maximaal 100 per hectare). Deze toekomstbomen behoeven niet noodzakelijkerwijs de hoogste en/of dikste bomen van de opstand te zijn. Factoren als boomsoort, stamvorm en plaats binnen de opstand spelen uiteraard ook een rol. Vanuit natuuroogpunt is veel winst te behalen door ook toekomstbomen aan te wijzen op grond van de aanwezigheid van holten en dergelijke. Verder moet er bij het blessen en oogsten op worden toegezien dat dode bomen blijven staan (voor zover ze niet langs de paden staan).
Punt van zorg is dat het regelmatig dunnen kan leiden tot een homogeen, blijvend licht bosmilieu (zie ‘… of te licht’ onder Bedreiging). Vanuit natuuroogpunt is het dan ook aan te bevelen om delen van de opstand met weinig toekomstbomen niet te dunnen, zodat er ook donkerder plekken blijven bestaan met een meer ongestoorde ontwikkeling van de vegetatie.

Verjongen
Verjonging is een maatregel die gericht is op het verkrijgen van een nieuwe generatie bos. Er zijn hiervoor vele keuzes te maken

Welke de bosbeheerder ook kiest, vanuit natuuroogpunt is het van belang dat er op verschillende schaalniveaus sprake is van heterogeniteit in structuur en soortensamenstelling. Voor de verjonging betekent dit dat het raadzaam is niet overal hetzelfde recept te volgen. Groepsgewijze of zelfs boomsgewijze verjonging geeft uiteraard een relatief natuurlijk bosbeeld, maar de aanwezigheid van (enkele) gelijkjarige monoculturen kan op de schaal van een heel boscomplex een meerwaarde hebben (‘verloving’ – zie Boomsoortkeuze). Eenzelfde redenering geldt voor de vraag of moet worden ingeplant. Gebruik maken van natuurlijke verjonging leidt per definitie tot een relatief natuurlijk bos, maar niet per se tot een in ecologisch opzicht rijker bos. Vooral op de pleistocene zandgronden is de variatie aan hoofdboomsoorten bij natuurlijke verjonging uiterst beperkt. Dit heeft uiteenlopende redenen:

Als vuistregel kan gelden dat natuurlijke verjonging alleen de voorkeur heeft als deze kan leiden tot de door de beheerder gewenste boomsoortsamenstelling – eventueel geholpen door bodembewerking of uitrasteren. Juist de kunstmatige verjonging biedt volop mogelijkheden om ook niet (meer) aanwezige boomsoorten in het bos te brengen (zie Boomsoortkeuze).

Dood hout
Volgens het handboek ‘Bosbeheer en biodiversiteit’ is ruim een derde van alle biodiversiteit en de helft van de totale bosfauna afhankelijk van dood hout. Het gaat daarbij onder andere om

Het belang van dood hout voor de biodiversiteit hangt samen met het feit dat dood hout niet slechts één, maar een heel scala aan verschillende milieutypen en habitats doet ontstaan. Belangrijke variabelen zijn in dit verband onder andere de boomsoort, de dikte, het microklimaat en de positie (liggend dan wel staand). In het algemeen geldt dat dikke, liggende stammen meer soorten herbergen dan dunner takhout en op stam gestorven bomen. Er zijn echter wel degelijk ook specialisten bekend van dood takhout, en de hierboven genoemde holenbewoners zijn afhankelijk van staand dood hout. Een andere paradox is dat permanent vochtige rottende stammen meer soorten herbergen dan al dan niet periodiek droog dood hout, maar dat onder permanent vochtige omstandigheden het dode hout sneller wegrot, hetgeen weer problemen schept voor organismen met geringe dispersiemogelijkheden. Variatie en continue beschikbaarheid zijn dus de sleutelwoorden.
In natuurlijke bossen bestaat vijf tot twintig procent van het totale houtvolume uit dood hout. In het overwegend zeer jonge Nederlandse bos, waarin aftakelingsfasen vrijwel ontbreken, worden dergelijke percentages bij lange na niet gehaald. Bovendien is de hoofdfunctie van houtproductie strijdig met een natuurlijke bosontwikkeling, waarin een aftakelingsfase volgt op de fase met dominantie van volgroeide bomen. Binnen de randvoorwaarden van een cultuurbos is echter nog veel mogelijk:

Boomsoortkeuze
In de Nederlandse bosbouwpraktijk werd tot voor kort vooral gewerkt met monoculturen van een beperkt aantal loofboomsoorten (Zomereik en Beuk; op rijkere gronden ook cultivars en hybrides van Noord-Amerikaanse populieren) en een breder scala aan merendeels uitheemse naaldhoutsoorten. De laatste decennia is er echter duidelijk sprake van een andere visie. Op grote schaal wordt naaldhout omgevormd naar loofbos (‘verloving’), worden monoculturen omgevormd tot gemengde opstanden en worden exoten vervangen door inheemse boomsoorten. In het algemeen hebben deze veranderingen geleid tot een meer natuurlijk bos wat vanuit ecologisch oogpunt positief beoordeeld kan worden. Maar er moeten hier wel een paar kanttekeningen bij worden geplaatst. Zoals hierboven al werd vermeld (zie ‘Specifieke waarden’ onder Betekenis) herbergen ook monoculturen van naaldbomen specifieke natuurwaarden, die bij voortschrijdende ‘verloving’ in de knel komen. Hetzelfde kan gelden voor populierenbeplantingen op oude bosgroeiplaatsen. Meer algemeen gesproken leiden bovenstaande tendensen tot een nivellering in ons boslandschap, temeer daar het aanbod aan inheemse loofboomsoorten in het grootste deel van ons bosareaal (op de pleistocene zandgronden) in de praktijk erg beperkt is en bovendien volledig wordt gedomineerd door soorten met een slecht afbreekbaar, verzurend bladstrooisel. Meer aandacht voor een gevarieerdere boomsoortsamenstelling en voor soorten met goed afbreekbaar, verrijkend strooisel is dus dringend gewenst.

Structuurvariatie
Hierboven is al herhaaldelijk naar voren gebracht dat de biodiversiteit in (cultuur)bossen gebaat is bij een grote variatie in de bosstructuur. De wijze van dunnen en verjongen, de boomsoortkeuze en de wijze waarop met dood hout wordt omgegaan zijn sterk bepalend voor de uiteindelijke variatie. Maar daarnaast zijn er nog andere manieren om de variatie te bevorderen. De belangrijkste is het opzettelijk creëren van gaten in het kronendak, eventueel met gelijktijdige ‘productie’ van staand en/of liggend dood hout. De door Henk Koop ontwikkelde ‘mozaïekmethode’ is een bekende methode om via het maken van gaten van verschillende grootte meer structuur en grotere verschillen in leeftijdsopbouw te realiseren.

Exploitatie
De inzet van zware machines voor het vellen en uitrijden van bomen uit de opstanden gaat gepaard met bodemverdichting. Omdat de frequentie van vellen en uitrijden een natuurlijk herstel van de bodem onmogelijk maakt, verdient het aanbeveling om zoveel mogelijk gebruik te maken van vaste routes en vaste stapelplaatsen voor het verzamelen van het hout. Daarmee blijft de bodemverdichting beperkt tot een relatief klein oppervlak. Met machines op rupsbanden is bodemverdichting ook te voorkomen; op slappe bodem zou dit de enige vorm van transport moeten zijn.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website