Pad: Natuurtypen / Droge bossen (N15) / Dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02) / Zuur droog bos / Regulier beheer

Zuur droog bos

Inhoud van deze pagina:

REGULIER BEHEER
Niets-doen
Dunnen
Gaten kappen en randenbeheer
Bevorderen van dood hout
Bosbegrazing
Met bijdragen van
Literatuur

Niets-doen

In veel bossen met hoofdfunctie natuur op de arme zandgronden bestaat het regulier beheer op dit moment uit (vrijwel) niets doen. Het is de vraag of dit altijd een verstandige keuze is. Al onze "natuurbossen" zijn langdurig beheerd en in veel gevallen ook aangeplant als productiebos. De huidige (of tot voor kort aanwezige) waarden hangen ook nauw samen met het vroegere gebruik. Uiteraard is het vanuit wetenschappelijk oogpunt interessant te zien hoe onze voormalige productiebossen zich zonder enige menselijke beïnvloeding veder zullen ontwikkelen. Het staken van het historisch beheer - leidt zonder vervangende, alternatieve ingrepen - echter in de meeste gevallen onherroepelijk tot verlies van een aantal nu nog aanwezige waarden. Zo heeft niets doen in het voormalige eikenhakhout ertoe geleid dat lichtminnende soorten uit het bos zijn verdwenen. Hengel (Melampyrum pratense) en Valse salie (Teucrium scorodonia) zijn bijvoorbeeld letterlijk naar de marge van het bos ‘uitgeweken'. Alleen aan bosranden en op open plekken kunnen deze soorten zich nog handhaven. Het beheer van volledig niets-doen heeft in vele zure droge bossen ook de ‘verbeuking' (zie boven) versneld en daarmee de afgelopen decennia tot een netto-achteruitgang van biodiversiteit geleid.

Kennis van natuurlijke processen en het daarop inspelen bij het beheer, heeft ongetwijfeld grote voordelen. Toch is het goed om rekening te houden met het feit dat de huidige biodiversiteit, de patronen en waarden van onze bossen hun oorsprong hebben in de gebruiksgeschiedenis. De bossen maken deel uit van een cultuurlandschap, waarin de patronen in belangrijke mate vastliggen en een wezenlijk aanknopingspunt voor het natuurbeheer vormen. Vanuit oogpunt van natuurbehoud zou de beheerder zich voor zijn/haar gebied dan ook drie vragen moeten stellen alvorens tot een niets-doen beheer te besluiten: (1) welke waarden dreigen verloren te gaan, (2) welke nieuwe waarden kunnen zich gaan ontwikkelen en (3) zijn deze nieuwe waarden werkelijk afhankelijk van een niets-doen beheer of hangen zij bijvoorbeeld samen met het ouder worden van het bosecosysteem?

Dunnen
In de traditionele, op productie gerichte bosbouw is dunnen de belangrijkste maatregel die een beheerder tot zijn/haar beschikking heeft (zie ook Cultuurbossen). Ook in natuurbossen is het een belangrijke maatregel, waarmee vooral de variatie in structuur en in leeftijdsopbouw verhoogd kan worden.

Anders dan bijvoorbeeld de Zuid-Limburgse hellingbossen, hebben de meeste zure droge natuurbossen een eenvormige, gelijkjarige opbouw. Deze eenvormigheid is waarschijnlijk relatief laat in de geschiedenis van het bos ontstaan: vanaf het midden van de 19de eeuw werd de bosbouw in Nederland sterk gerationaliseerd en werden nieuwe tot eenvormigheid leidende teeltsystemen geïntroduceerd. Ook het doorgroeien van hakhoutcomplexen heeft geleid tot een betrekkelijk eentonig bos. Veel plant- en diersoorten hebben er baat bij wanneer deze eenvormigheid wordt onderbroken. Het creëren van een hoger lichtaanbod op de bosbodem heeft met name ook een gunstige invloed op het voorkomen en de bloei van diverse voedselplanten voor de insectenwereld.

Het monotone karakter van de bossen en de ophoping van een dikke eenvormige laag strooisel en compacte amorfe humuslagen (H-lagen) belemmeren een natuurlijke verjonging van de bossen. Het eenvormige en gesloten kronendak laat weinig licht door en dit is ongunstig voor de kieming. Een uitzondering op deze regel vormt de beuk die op beschaduwde bodem relatief goed kiemt. Ook een dichte begroeiing van Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) en wildvraat remmen de verjonging van Zomer- en Wintereik (Quercus robur en Q.petraea).

De laag van langzaam verterend bladstrooisel wordt in veel bossen erg dik en zuur. Zowel de mosflora van de bosbodem als de zwammen- schimmel- en paddenstoelenflora - de zogenoemde mycorrhizasoorten en bodemsaprofyten voorop - krijgen onder deze omstandigheden problemen en hun soortenaantal gaat achteruit. Vooral onder beuken gebeurt dit. Naast de fysieke hinder die soorten van het dikke strooiselpakket ondervinden, speelt ook de verzuring die door de langzame strooiselafbraak wordt veroorzaakt een negatieve rol. Schimmels overheersen bij deze vorm van afbraak. Veel mossoorten en paddenstoelen zijn tegenwoordig alleen nog te vinden langs paden en walletjes waar minder strooisel blijft liggen.

Door het bos periodiek te dunnen wordt het lichtaanbod op de bodem verhoogd, waardoor versnelde mineralisatie van het strooiselpakket optreedt. Daarbij wordt de bosbodem plaatselijk "verwond", waardoor ruimtelijke herverdeling van strooisel optreedt en plaatselijk weer minerale grond aan de oppervlakte wordt gebracht. Beide ontwikkelingen zijn gunstig om een gevarieerde  verjonging te bevorderen. Wel is het zaak om de ingrepen met zo licht mogelijk materieel uit te voeren om bodemverdichting en daarmee schade aan het bodemleven en dus remming van de strooiselvertering zoveel mogelijk te voorkomen.

Bij dunning in natuurbos liggen de accenten iets anders dan in multifunctioneel of productiebos. Er wordt wat forser gedund, de dunningen zijn onregelmatiger over de opstand gespreid en bij dunning volgens de veel toegepaste methode van "toekomstboom­selectie" zullen de criteria voor het aanwijzen van toekomstbomen anders liggen: bijvoorbeeld oude bomen met veel holtes en/of relicten van (verondersteld) autochtone populaties. Vaak ook is dunning gericht op het vrijstellen van gewenste boomsoorten (bijvoorbeeld bij wintereiken die door beuken dreigen te worden weggeconcurreerd)

Gaten kappen en randenbeheer

Naast dunning wordt in veel natuurbossen de monotonie van het eenvormige bos doorbroken via het maken van gaten in het kronendak, door bosrandbeheer in het bosgebied of ook door pleksgewijs hakhoutbeheer (voor bosrandbeheer zie ook onder Inrichting). Op deze wijze ontstaan leeftijd- en structuurverschillen en gevarieerde bosranden. Deze ingrepen kunnen éénmalig worden uitgevoerd maar kunnen desgewenst ook na circa 10 - 15 jaar worden herhaald, bijvoorbeeld in de vorm van een kleinschalig hakhoutbeheer. Op een aantal plaatsen is deze omvorming van het bos toegepast volgens de mozaiekmethode van Henk Koop.

Het maken van gaten in het bos leidt per definitie tot een verbetering van de bosstructuur en diversifiëring van de boomsoorten. Immers: het homogene kronendak wordt doorbroken, de ontstane verjonging leidt tot meer lagen in het bos en vrijwel altijd verjongen zich meerdere boomsoorten, zodat de menging toeneemt. Bij een hoge graasdruk kan de verjonging echter sterk worden belemmerd of zelfs tegengegaan. Dit hoeft niet altijd een probleem te zijn, omdat zo langdurig open ruimtes ontstaan in het bos met allerlei daaraan gekoppelde waarden. Wanneer structuurrijke bosranden worden beoogd kan deze graasdruk echter een sterke belemmering vormen voor gestelde doelen.

Vaak worden gaten gekapt als onderdeel van het terugdringen van het oppervlak bos dat uit exoten bestaat. Meestal betreft dit dan naaldbomen als douglas, fijnspar of lariks. In veel gevallen verjongen deze soorten zich ook weer in de ontstane gaten, zeker wanneer een hoge graasdruk er voor zorgt dat loofboomsoorten selectief worden weggevreten. Hiermee komt de beheerder van de regen in de drup.  De opslag van naaldbomen kan in een vroeg stadium eenvoudig worden verwijderd, maar wat resteert is dan vaak een schamele verzameling loofstruiken, waar bovendien Amerikaanse vogelkers vaak de overhand neemt.

Naast natuurlijke verjonging kan er ook verjongd worden door in te planten. Dit kan grootschalig (opstandsgewijs), in groepen of zelfs boomgewijs plaatsvinden (zie ook Cultuurbos). In het algemeen wordt in natuurbossen terughoudendheid betracht met inplanten. Vanuit natuuroogpunt is het echter in alle gevallen van belang dat er op verschillende schaalniveaus sprake is van heterogeniteit in structuur en soortensamenstelling, zodat aanplant een belangrijke bijdrage kan leveren, zeker waar het loofboomsoorten betreft die zich moeilijk verjongen als gevolg van wildvraat (zoals eik) of door gebrek aan zaadbronnen.

Voor de wijze van verjonging betekent dit dat het raadzaam is niet overal het zelfde recept te volgen. Gebruik maken van natuurlijke verjonging leidt per definitie tot een relatief natuurlijk bos, maar niet per se tot een in ecologisch opzicht rijker bos. Vooral op de pleistocene zandgronden is de variatie aan hoofdboomsoorten in een bosopstand die kan ontstaan door natuurlijke verjonging uiterst beperkt en omvat - met uitzondering van berk en wilde lijsterbes - vrijwel uitsluitend soorten met slecht afbreekbaar, ‘arm' strooisel, soorten dus die de trend van strooiselaccumulatie en verzuring bevorderen (zie ook Herstelbeheer).

Bevorderen van dood hout
Ruim een derde van alle biodiversiteit, en de helft van de totale bosfauna is afhankelijk van dood hout. Het gaat daarbij onder andere om holenbewoners als boommarters, vleermuizen en in holen broedende vogels, om paddenstoelen en andere schimmels, mossen en korstmossen en een reusachtige variatie aan geleedpotigen waaronder mijten, springstaarten, pissebedden, boktorren, kniptorren, bladsprietkevers, houtwespen, mieren en vlinders. Voor een uitvoeriger bespreking van het belang van dood hout, zie Cultuurbos.

In natuurlijke bossen bestaat vijf tot twintig procent van het totale houtvolume uit dood hout. In de Nederlandse natuurbossen, die merendeels tot voor kort intensief als productiebos beheerd werden worden dergelijke percentages bij lange na niet gehaald. Daarom vormen dood-hout bevorderende maatregelen in natuurbossen vaak een onderdeel van het reguliere beheer. Dit behelst in de eerste plaats dat dood hout na windworp of ijzel blijft liggen. Voorts kan bij dunning besloten worden tot het ringen en op stam laten sterven van concurrenten. En tenslotte is ook het ringen en op stam laten sterven van bomen in een gesloten opstand - zonder dunning of andere vormen van verjonging - een optie (zie verder: Herstelbeheer).

Bosbegrazing
Tegenwoordig wordt in veel natuurbossen procesbeheer toegepast. In de praktijk betekent dit in zuur droog bos de toepassing van een niets-doen beheer in combinatie met de inzet van ‘grote grazers'. De verwachting is dat het de grazers lukt de monotonie van vergraste en structuurarme bossen te doorbreken. De grazers vergroten de structuurvariatie inderdaad, maar hun inzet heeft tot op heden niet tot de verwachte toename van de biodiversiteit geleid.

Bosbegrazing is gunstig voor de natuurfunctie, maar alleen indien dit in grootschalige terreinen wordt toegepast. Bij begrazing van te kleine terreinen kunnen restpopulaties van oud-bossoorten verdwijnen door vraat of vertrapping. Daarbij kan in kleine terreinen ook de bosontwikkeling sterk worden beïnvloed doordat zaailingen van loofboomsoorten in het algemeen meer gegeten worden dan zaailingen van naaldbomen. En als er al keuze is tussen verschillende loofboomzaailingen zullen juist die soorten die een goed afbreekbaar bladstrooisel hebben (en daarmee leiden tot een grotere variatie aan bodemcondities en ondergroeisoorten) bij voorkeur worden weggevreten.

Wanneer bosbegrazing wordt toegepast op de schaal van het boslandschap - inclusief heidevelden en/of andere open terreinen - zijn deze risico's veel minder groot terwijl de voordelen aanzienlijk zijn. Door begrazing op landschapsschaal worden de overgangen tussen bos en open terreinen geleidelijker, worden nieuwe open ruimtes binnen het bos ontwikkeld en ontstaan contrasten in lichtklimaat. Ook vertraagt begrazing de door stikstofdepositie versnelde successie (zie ook Cultuurbos).

Met bijdragen van:
Klaas van Dort, 14.11.06; Patrick Hommel & Rein de Waal, april 2007; Patrick Hommel & Jan den Ouden, november 2010.

Literatuur:
Al, E.J. (red.) 1995. Natuur in bossen. Rapport nr. 14. IKC Natuurbeheer, Wageningen. 330 pp.

Dort, K.W. van. 1999. Evenwichtig netwerk bosreservaten. Vakblad Natuurbeheer 7: 101-105.

Buis, J., 1985. Historia Forestris. Nederlandse bosgeschiedenis. 2 delen. HES Uitgevers, Utrecht, 1012 pp.

Jagt, J.L. van der, J.M. Paasman, L.A.S. Klingen, M.R. Houtzagers & C.J.F. Konings, 2000. Geïntegreerd bosbeheer. Praktijk, voorbeelden en achtergronden. Expertisecentrum LNV, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. 214 pp.

Londo, G. 1991. Natuurtechnisch bosbeheer. Natuurbeheer in Nederland 4. Pudoc. Wageningen, 190 pp.

Stortelder, A.H.F., K.W. van Dort, J.H.J. Schaminée & N.A.C. Smits 1999. Het beheer van bosranden - van scherpe grens naar soortenrijke gradiënt. KNNV, Utrecht, 93 pp.

van der Burgh, F., A. van der Molen, & H. Koop (1995). Mozaiekmethode: omvorming naar meer natuurlijk bos. Informatie- en Kenniscentrum Natuurbeheer, Wageningen, 17 pp.

Vera, F.W.M. 1997. Metaforen voor de wildernis: eik, hazelaar, rund en paard. Wijk bij Duurstede. 426 pp.

Werf, S. van der 1991. Bosgemeenschappen, Natuurbeheer in Nederland deel 5. Pudoc. Wageningen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website