Pad: Natuurtypen / Droge bossen (N15) / Dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02) / Zuur droog bos / Herstelbeheer

Zuur droog bos

Inhoud van deze pagina:

HERSTELBEHEER
Naaldhoutbos omvormen
Aanplant van loofboomsoorten
Variatie aanbrengen in bosstructuur
Strooisel verwijderen, branden of begrazen
Oude bomen sparen
Dood hout sparen
Met bijdragen van
Literatuur

Naaldhoutbos omvormen
De naaldbossen die zijn aangeplant op de voedselarme zandgronden worden niet tot de bossen gerekend die beschermd zijn onder de Europese habitatrichtlijn. Het is echter mogelijk om die naaldbossen in waardevolle loofbostypen om te vormen. De omvorming begint op veel plaatsen al vanzelf: struiken en loofbomen verschijnen in de ondergroei en die houtige planten zullen ooit de boomlaag gaan vormen. Het is duidelijk dat het spontane proces aanmerkelijk versneld kan worden door de naaldbomen te kappen.

Het omvormen van naaldbos in loofbos van het Zomereik-verbond heeft al geleid tot een flinke stijging van het Nederlandse loofbosoppervlak. Op plaatsen waar groei mogelijk is (= potentiële groeiplaatsen) van het Beuken-Eikenbos en het Bochtige smele-Beukenbos biedt kappen van naaldbomen mogelijkheden voor herinplant of herintroductie van inheemse boomsoorten, zoals de Wintereik (Quercus petraea) en de Winterlinde (Tilia cordata). De kap kan grootschalig gebeuren of als groepenkap. Grootschalige kap maakt een nieuwe inrichting van het landschap mogelijk wat de mogelijkheid geeft goed op ecologische processen in te spelen en op het plaatselijk instellen van bijv. eikenhakhoutbeheer of bosrandbeheer en het accentueren van historische elementen (zie hiervoor Inrichting). Wanneer hele oude naaldbomen voorkomen kunnen deze worden gespaard waardoor zij onderdeel kunnen blijven uitmaken van het bos.

Overigens kan een grote graasdruk de omvorming van naaldbos naar loofbos sterk vertragen of zelfs onmogelijk maken. Naaldbomen worden veel minder aangevreten dan loofbomen, zodat bij een hoge vraatdruk uiteindelijk alleen naaldbomen, of  onsmakelijke loofboomsoorten zoals Amerikaanse vogelkers, de verjonging domineren.

In sommige naaldbossen komen bijzondere, in Nederland aan naaldbos gebonden noordelijke planten voor. Zulke noordelijke planten betreffen vooral varens en Wolfsklauwen (Lycopodiaceae), maar er horen ook soorten bij zoals Kleine keverorchis (Listera cordata), Dennenorchis (Goodyera repens) en Linnaeusklokje (Linnaea borealis). Tevens vormen naaldbossen een belangrijk biotoop voor veel aan naaldbomen gebonden paddenstoelen. Kap van naaldbos leidt dan ook tot het verdwijnen van deze soorten. Deze aspecten vormen enkele dilemma's voor het beheer van zure droge bossen. 

Aanvullende maatregelen zoals oude bomen, dood hout en bekende groeiplaatsen van bijzondere soorten sparen, verkleinen natuurschade door kap. Bij twijfel helpt een vooronderzoek en zorgvuldige afweging in het maken van de keuze over waar en hoe de kap uit te voeren.

Aanplant van loofboomsoorten
 Het herstelbeheer van zure droge bossen vindt ook via een ander spoor plaats: het aanplanten van boom- en struiksoorten die snel verterend bladstrooisel produceren. Binnen de wereld van de voedselarme bossen komen hiervoor vooral Winterlinde (Tilia cordata), Es (Fraxinus excelsior), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) en Hazelaar (Corylus avellana) in aanmerking. De aanplant is echter alleen effectief op plaatsen waar de bodem enigszins leemhoudend is. Linde en Eik kunnen op dezelfde bodems voorkomen, maar zorgen via de bladval voor heel verschillende bosbodems. Wanneer een bos ouder wordt, vormt zich een strooisellaag die van grote invloed is op de ontwikkeling van een bosbodem. Lindebomen zorgen voor een relatief snelle strooiselafbraak waarbij de schimmelinvloed afneemt en de activiteiten van de kleine fauna zoals regenwormen toenemen. Dit is het zogenoemde ‘linde-effect'. Onder eiken heeft de bosbodem een zure humuslaag van mormoder die slecht verteert. Onder lindebomen ontstaat een milde humus, een mullmoder die een geschikte voedingsbodem is voor veel soorten. Waar lindebomen verschijnen in verzuringsgevoelige bossen verbetert de basenhuishouding en stijgt de pH.

De vestigingsmogelijkheden voor soorten die vooral groeien in de kruidlaag van oude bossen, de ‘oud-bossoorten', nemen dan sterk toe. Dat zijn soorten van iets voedselrijkere bodem zoals Bosanemoon (Anemone nemorosa). Het strooisel van Haagbeuk (Carpinus betulus), Zoete kers (Prunus avium) en Ruwe berk (Betula pendula) heeft een vergelijkbaar gunstige maar veel minder effectieve uitwerking. Een bottle-neck bij dit alles vormt gebrek aan bronpopulaties van de karakteristieke bossoorten van waaruit de diasporen zich kunnen verspreiden. Bovendien werkt de omvorming naar minder zure, matig voedselarme omstandigheden door aanplant beslist niet op elke voedselarme bosgroeiplaats. Op stuifzanden en leemarme dekzanden biedt het ‘linde-effect' geen uitkomst. Dat is ook niet erg: de bossen op deze meest voedselarme bodems behouden zo juist ‘vanzelf' hun specifieke waarden.

Variatie aanbrengen in bosstructuur

 Het merendeel van het bos op de voedselarme zandgronden bestaat uit gelijkvormige, homogene opstanden met een of twee hoofdboomsoorten van dezelfde leeftijd. Het kronendak is daarbij volledig gesloten en laat weinig licht door. De bosbodem is overal even sterk beschaduwd. Een afwisseling van licht en donker, zowel in de tijd als ruimte, is echter veel gunstiger voor de biodiversiteit. Daarom is in natuurbos een gevarieerde bosstructuur met natuurlijke boomsoortensamenstelling gewenst. Natuurlijke verstoringen zoals brand en storm slaan in de loop van de tijd gaten in het kronendak. Zulke catastrofes zijn schaars en daarom voltrekken veranderingen in de bosstructuur zich uiterst langzaam. Een manier om de ecologische kwaliteit op korte termijn te verbeteren is het kunstmatig aanbrengen van gaten in het kronendak in nabootsing van de natuur. De omvang van zo'n gat is beperkt: de grootte is anderhalf maal de boomhoogte. Overigens is bij een menging van verschillende boomsoorten ook in gesloten opstanden de variatie in lichtklimaat groter dan in een bos van een of twee boomsoorten. De mozaïekmethode van Koop kan een goede leidraad vormen bij het plannen van dergelijke gaten in een bosgebied.

Voor de specifiek aan bosranden gebonden organismen speelt de expositie ten opzicht van de zon een doorslaggevende rol. Bij houtteeltkundig ingerichte bossen kan met het doorbreken van de rechthoekige infrastructuur veel structuurvariatie worden toegevoegd. Het grillig maken van bosranden door plaatselijk randbomen te verwijderen, en/of langs de rand te planten, brengt al snel een afwisseling ten bate van zoom- en mantelvegetaties met Wilde kamperfoelie (Lonicera peryclymenum), Braam (Rubus fruticosus) en havikskruiden (Hieracium sp.). Hiervan profiteren vlinders en struweelvogels. Bosrandbeheer in rustige naaldbossen is gunstig voor de bedreigde Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus). Vergelijkbare resultaten kunnen worden geboekt door binnen het bos de padranden aanzienlijk te verbreden. Verbreding van padranden brengt bosranden het bos in!

Strooisel verwijderen, branden of begrazen
 Vroeger gold strooiselroof als nadelig voor het bos vanwege de onttrekking van voedingsstoffen. Door de overmatige aanvoer van stikstof via de lucht is tegenwoordig aan voedingsstoffen eerder een teveel dan een gebrek. Het gevolg is versterkte en versnelde vergrassing en strooiselophoping(voor een beschrijving van de successie zie Kenschets). In aangetaste, soortenarme bossen kan de opeenvolging in de ondergroei - de vegetatiesuccessie - worden vertraagd of teruggedraaid door verwijdering van de bovengrond, inclusief strooisellaag door middel van plaggen. Bijkomend voordeel is dat de verzurende invloed van het strooiselpakket op de onderliggende minerale bodem daarmee ook wordt tegengegaan. Door het verwijderen van de organische bovenlaag worden echter ook basen aan het systeem onttrokken, waardoor plaggen alleen in uitzonderlijke gevallen zou moeten worden toegepast.
Ook begrazing kan de stikstofbelasting van de bovengronden verkleinen. De beste resultaten geeft in voedselarm bos een kortstondige intensieve begrazing. Door een vooronderzoek en zorgvuldige afweging in het maken van de keuzes is verlies van natuurwaarden door vraat en tred bij begrazing te voorkomen.

Om het pionierkarakter van loofbos op voedselarme grond te herstellen is ook brand een optie, met name in naaldbossen. Het terugzetten van de successie in bossen met een overheersing van grassen in de ondergroei verhoogt de biodiversiteit, maar het werkt alleen tijdelijk. De natuurlijke successie zal blijven voortschrijden en uiteindelijk zal het grassenstadium ‘vanzelf' verdwijnen en de diversiteit toenemen. Vanuit oogpunt van biodiversiteit is het wenselijk bos van alle successiestadia, inclusief het oude ongestoorde bos, binnen de boslocatie te houden. Terugzetten van de successie door middel van ingrijpende maatregelen als plaggen en branden kan goed uitpakken, als het alleen heel plaatselijk en met doordacht beleid wordt toegepast.

Oude bomen sparen 
  Vanzelfsprekend dienen bij kap oude, kromme en grillig gevormde bomen zoveel mogelijk te worden gespaard. Dit is vooral gunstig voor holbewonende dieren, o.a. vleermuizen, en sporenplanten. Daarnaast zijn veel oude, kromme bomen vaak relicten vanuit de tijd voor de heidebebossing en daarom van cultuurhistorische waarde. Tenslotte kunnen oude bomen zeldzaam autochtoon genetisch materiaal vertegenwoordigen. Het verdient aanbeveling alle bijzondere, en/of oude bomen te lokaliseren en bij beheeringrepen te sparen of vrij te stellen.

Dood hout sparen
 De slagzin "dood hout leeft" vat kort en krachtig samen waarom het laten liggen of laten staan van dood hout goed is. De maatregel is het meest effectief in bos met een overvloedige hoeveelheid aan langzaam verterend bladstrooisel, zoals van Amerikaanse eik (Quercus rubra), Tamme kastanje (Castanea sativa) en donkere naaldbossen. Stobben, boomlijken en staand dood hout zijn vaak begroeid met zeldzame mossen en korstmossen, onder meer met de rode lijstsoorten Krulbladmos (Nowellia curvifolia) en Koraalblaadje (Cladonia parasitica). Vooral forse boomlijken die al ver zijn verteerd kunnen bijzondere soorten herbergen. Het zeldzame Vliegend hert (Lucanus cervus) leeft uitsluitend in oude eikenbossen waar zacht rottend hout aanwezig is omdat dat nodig is voor de ontwikkeling van de larven. In oud bos is de variatie van zwammen en schimmels bijzonder groot. Het gaat daarbij niet zozeer om paddenstoelen die op de grond groeien, maar vooral om talloze specialistische die groeien op sterk verteerde boomlijken zoals Spekzwoerdzwam (Merulius tremullosus) en Witsteelfranjehoed (Psathyrella piluliformis). Beukenbossen in de aftakelingsfase zijn rijk aan ‘zwakteparasieten' zoals Echte tonderzwam (Fomes fometarius) en Korsthoutskoolzwam (Hypoxylon deustum). Ter bevordering van deze organismen is het dus aan te bevelen om waar mogelijk dood hout te laten liggen of staan. Staand dood hout langs paden kan een gevaar opleveren voor passanten en dan is verwijdering uiteindelijk niet te vermijden. Met het oog op de natuurwaarden is het goed om dan na de kap het hout dicht bij de moederboom of wortelkluit in het bos neer te leggen.

Met bijdragen van:
Klaas van Dort, 14.11.06; Patrick Hommel & Rein de Waal, april 2007; Patrick Hommel & Jan den Ouden, november 2010.

Literatuur:

Fanta, J., 1982. Natuurlijke verjonging van het bos op droge zandgronden. Dorschkamp rapport 301, Wageningen.

Hommel, P.W.F.M. & R.W. de Waal. 2003. Boomsoort bepaalt bostype op verzurings­gevoelige bodem. Stratiotes 23: 3-19.

Hommel, P.W.F.M. & R.W. de Waal. 2003. Rijke bossen op arme bodems. Landschap 20: 193-204.

Waal, R.W. de & P.W.F.M. Hommel, 2005. Abiotische typering van bostypen in Nederland. Vochtregime, zuurgraad, voedselrijkdom en humusvorm. Alterra-rapport 1258. Alterra, Wageningen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website