Pad: Natuurtypen / Droge bossen (N15) / Dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02) / Zuur droog bos / Bedreigingen

Zuur droog bos

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Verbraming, vergrassing en verzuring
Korstmossen en paddenstoelen slachtoffer van luchtvervuiling
Verbeuking door niets doen
Bospest
Met bijdragen van
Literatuur

Verbraming, vergrassing en verzuring
Het Nederlandse bos heeft ernstig te lijden van vermesting, verdroging, verzuring en versnippering. Zure regen vormde decennia lang een serieuze bedreiging voor bossen op de weinig gebufferde arme zandgronden. Grootschalig bossterven bleef uit, mede dankzij tegenmaatregelen en het terugbrengen van de uitstoot. In zure droge bossen zijn echter duidelijke veranderingen in de soortensamenstelling opgetreden. Als gevolg van de verhoogde atmosferische depositie is veel droog bos ten prooi gevallen aan verruiging, vooral met bramen (Rubus fruticosus), en vergrassing met Bochtige smele (Deschampsia flexuosa) en Pijpenstrootje (Molinia caerulea). Vergrassing, verzuring en strooiselophoping zijn in bossen op arme zandgronden op zich natuurlijke processen die deel uitmaken van een opeenvolging die begint met mostapijten en via rijker geschakeerde vegetaties met bosbessoorten resulterend in bossen met oud-bossoorten zoals Dalkruid (Maianthemum bifolium). Onnatuurlijke stikstofinput via atmosferische depositie heeft deze processen echter versneld en geleid tot een sterker overheersing van grassen. Het humusprofiel dat zich gaat vormen zal ongetwijfeld uiteindelijk een einde aan ‘de grassenfase' maken (zie Kenschets, onder kopje ‘Berken-Eikenbos'). Of en in hoeverre de latere fasen van de bossen echter blijvende schade van de stikstofregen zullen ondervinden is vooralsnog onduidelijk. De verwachting is dat de grassenfase, vooral in de arme bossen niet blijvend zal zijn, maar dat deze wel langer zal duren dan onder natuurlijke omstandigheden het geval zou zijn.

In de laatste decennia zijn de zogenoemde oud-bossoorten (zie Zuur droog bos onder Betekenis) en voorjaarssoorten van het bos achteruitgegaan. Tegelijkertijd laten enkele soorten die voorheen een bescheiden rol speelden in de bosgemeenschappen spectaculaire uitbreidingen zien, onder meer Rankende helmbloem (Ceratocapnos claviculata) en stekelvarens (Drypteris carthusiana en D. dilatata). De afname van oud-bossoorten en voorjaarssoorten kan voor een groot deel worden verklaard als een gevolg van toenemende strooiselophoping en verzuring. De toename van stikstofminnende soorten als Rankende helmbloem is toe te schrijven aan de hoge atmosferische stikstofdepositie. Ook de toename van stekelvarens werd aanvankelijk gezien als een zure-regen-effect. Nader onderzoek toonde echter aan dat de verklaring eerder schuilt in de toegenomen hoeveelheid dood hout in het Nederlandse bos.

Korstmossen en paddenstoelen slachtoffer van luchtvervuiling

Een duidelijk gevolg van luchtverontreiniging is de achteruitgang van op de bomen groeiende korstmossen, zoals baardmossen (Usnea sp.) en Groot boerenkoolmos (Platismatia glauca). Deze gevoelige epifyten dreigen uit te sterven in ons land. Tegenover het verlies aan epifyten met een voorkeur voor zuur en arm milieu staat een opwaartse trend van stikstofminnende soorten. Als gevolg van klimaatopwarming nemen overigens ook warmteminnende soorten duidelijk toe.
De karakteristieke weelde van Rendiermossen in het Korstmossen-Dennenbos en de pionierfase van het Berken-Eikenbos is in ons land weinig meer te vinden. De achteruitgang is een gevolg van de verhoogde atmosferische depositie van stikstof en zwavel, inwaai van meststoffen en vooral ook het ouder worden van de bossen en strooiselophoping. De stikstofdepositie vormt nog steeds een probleem. Als de versnelde successie niet door een zekere mate van dynamiek (wind of brand) wordt tegengegaan, blijven 'korstmosbossen' onder de huidige omstandigheden nog geen halve eeuw intact voordat ze overgaan in een 'mosbos', een Kussentjesmos-Dennenbos (41Aa3).
Met de teloorgang van het Korstmossen-Dennenbos en de voortschrijdende ophoping van strooisel op de bosbodem zijn de voor jonge bossen op humusarm stuifzand karakteristieke paddenstoelensoorten uiterst zeldzaam geworden. Vooral met wortelschimmels geassocieerde soorten, zogenoemde ectomycorrhiza symbionten, zoals Slijmige gordijnzwam (Cortinarius mucosus) en Halsdoekridderzwam (Trichloma focale) zijn het slachtoffer van bossuccessie en vergrassing.

Verbeuking door niets doen

In het Nederlandse bos treedt beuk meer en meer op de voorgrond omdat de eik niet meer zoals vroeger wordt bevorderd door de mens. Deze ‘verbeuking' is veelal een direct gevolg van de overschakeling op een beheer van niets doen. De afname van oud-bossoorten en voorjaarssoorten is niet alleen het gevolg van strooiselophoping en verzuring. Het wordt ook veroorzaakt of versterkt door de verbeuking. In de cultuurhistorisch interessante Veluwse malebossen leidt verbeuking bijvoorbeeld tot achteruitgang van de Wintereik (Quercus petraea) en Dalkruid (Maianthemum bifolium).

Bospest

In de aangeplante productiebossen bleek het strooisel maar heel langzaam te verteren. Om de afbraak te versnellen is in de eerste helft van de 20e eeuw de Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) geïntroduceerd. Van een heilzame invloed op de strooiselvertering en bodemvruchtbaarheid was onder Nederlandse omstandigheden echter weinig sprake. De soort plant zich hier gemakkelijk voort en doet dit zo massaal dat ze binnen korte tijd tot een enorme plaagsoort is uitgegroeid. Vooral in sterk begraasde bossen is het vaak de enige loofboomsoort die nog in de ondergroei overleefd. Daarom kreeg ze de bijnaam Bospest. Uitroeiing van de soort is niet meer mogelijk, dus rest de beheerder niet meer dan het beheersen van de populatie. Regelmatig ‘Prunustrekken' is op veel plaatsen het enige middel om dominantie en verdere verbreiding van Prunus te voorkomen. Of de Amerikaanse vogelkers op de lange termijn ook in de boomlaag doordringt, en de wijze waarop het ecosysteem daarop reageert, is onderwerp van langlopend onderzoek in bosreservaten.

Met bijdragen van
:
Klaas van Dort, 14.11.06; Patrick Hommel & Rein de Waal, april 2007; Patrick Hommel & Jan den Ouden, november 2010.

Literatuur:

Dirkse, G.M., W.P. Daamen, H. Schoonderwoerd & J.M. Paasman. 2003. Meetnet Functievervulling Bos; Het Nederlandse bos in 2001-2002. Rapport EC-LNV nr. 2003/231. EC-LNV Ede.

Dobben, H.F. van & W. de Vries. 2001. Relatie tussen vegetatie en abiotische factoren in het Meetnet Vitaliteit en Verdroging. Een statistische studie op grond van waarnemingen in 200 opstanden in 1995 en 1996. Alterra-rapport 406. Alterra, Research Instituut voor de groene ruimte, Wageningen.

Dort, K. van, I. Bouwma, M. Broekmeyer & H. Koop. 1999. Veranderingen in de kruidlaag in bosreservaten. De Levende Natuur 100 (5):  154-157. Themanummer "Bosreservaten".
Greven, H.C. 1992. Changes in the Dutch Bryophyte Flora and Air Pollution. Dissertationes botanicae. Band 194. Cramer, Berlin, Stuttgart.

Herk, K. van & H. Siebel. 2003. Korstmossen en mossen: spiegels van de veranderingen in het klimaat. De Levende Natuur 104 (3): 79-82.

Tooren, B. van. 2004. Mossen: verborgen vooruitgang. In R. Roos & S. Woudenberg (red.): Opgewarmd Nederland. Stichting Natuur Media: 78-83.

Keizer, P.J. Vijf jaar paddenstoelen kijken op de Veluwe. Coolia. Nederlandse Mycologische Vereniging.

Keizer, P.J., 1997. Het belang van coniferenbossen voor de mycoflora in Nederland. De Levende Natuur 98: 122-128.

Waal, R.W. de, R.J. Bijlsma, E.M. Dijkman & M.M. van der Werf, 2001. Stekelvarendominantie in bossen op arme bodems. De Levende Natuur 102: 118-122.

Maes, B. (red.), 2006. Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen. Herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik. Boom, Amsterdam.

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website