Pad: Natuurtypen / Droge bossen (N15) / Duinbos (N15.01) / Duinbos / Regulier beheer

Duinbos

Inhoud van deze pagina:

REGULIER BEHEER
Intensief beheer is zelden nodig
Boomsoort is cruciaal
Esdoorn: plaagsoort of reddende engel?
Met bijdragen van
Literatuur

Intensief beheer is zelden nodig
Instandhouding van de meeste duinbossen lijkt niet moeilijk: niets doen lijkt lange tijd goed te voldoen. Voor de kleine Meidoorn-Berkenbossen in de valleien is dit ook de beste oplossing zolang er geen structurele, kunstmatige verdroging optreedt. Wanneer daar de invloed van kalkrijk grondwater afneemt, is het van belang dat zoveel mogelijk basen uit de ondergrond worden opgenomen en via boomwortels en bladstrooisel naar de bovengrond en kruidlaag worden teruggepompt. Berken zijn hier redelijk goed toe in staat, eiken totaal niet. In licht verdroogde valleien is het ‘terugdringen' van eik dus een zinvolle maatregel. Bos in volledig verdroogde valleien zal zich uiteindelijk gaan ontwikkelen tot een ‘gewoon' zuur droog duinbos. Bij volledige verdroging is het risico van verzuring veel groter dan bij lichte verdroging, maar ook bij volledige verdroging kan de beheerder via ingrepen in de boomsoortsamenstelling sterke aftakeling voorkomen.

Het is uiteraard beter de kunstmatige oorzaak van verdroging weg te nemen. Is er geen kunstmatige oorzaak voor de verdroging, is verdrogingsbestrijding slechts bij zeer hoge uitzondering toe te passen, bijvoorbeeld als daarmee voorkomen kan worden dat soorten uit ons land zouden verdwijnen. Bij herstel van de landschappelijke dynamiek, in grote delen van de duinkust het vastgestelde lange-termijn doel, zullen ook weer van tijd tot tijd nieuwe natte duinbossen kunnen ontstaan.

In oude eikenhakhoutbosjes kan een vorm van ingrijpen zinvol zijn, zowel om ecologische als om cultuurhistorische redenen. Voor meer informatie, zie Zuur droog bos. Bij duinbossen op droge, nog niet geheel ontkalkte bosbodems, met bijvoorbeeld veel Lelietje-van-Dalen zal de beheerder op termijn een keuze moeten maken tussen maatregelen in het belang van de cultuurhistorie en die in het belang van de natuurwaarden. Vanuit de cultuurhistorie geredeneerd is voortzetting van het hakhoutbeheer de beste optie, maar dan zal de verzuring doorzetten. Het behoud van een rijke ondergroei en biodiversiteit zal daarentegen uiteindelijk om ingrepen in de boomsoortsamenstelling vragen (zie hieronder).

Bij het beheer van duinbossen moet men zich altijd de vraag stellen of het (vrijwel altijd) aangelegde bos op een ‘natuurlijke bosgroeiplaats' (zie ook op de hoofdpagina de alinea ‘De bosgrens')  staat of niet. Door de bosvegetatie te vergelijken met de vegetatie van de omringende duingraslanden, kan men zich hier een indruk van vormen. Bij enkele systematische studies in het Noordhollands Duinreservaat en in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland is gebleken dat het grootste deel van de huidige bossen zonder aanplant nog in het grasland- of struweelstadium zou zijn geweest. Men kan zich afvragen of het zinvol is beheersinspanning in deze bossen te steken. Op ‘natuurlijke bosgroeiplaatsen' echter kan het lonen om uniforme naaldbossen en jonge, aangeplante loofbossen om te vormen, al dan niet geleidelijk, in meer bij de natuurlijke samenstelling en structuur aansluitende bossen. Voor dat omvormen wordt tegenwoordig in bossen extensieve begrazing toegepast, waarbij de bossen een onderdeel van zeer grote begrazingseenheden vormen. De begrazing van de bossen dient daarbij vooral voor de ontwikkeling van structuur, het langer in stand houden van open plekken, in- en externe zomen)

Boomsoort is cruciaal
Verzuringsgevoelige bossen op standplaatsen met een redelijke basenhuishouding in de ondergrond en een al dan niet ontkalkte bovengrond zijn gebaat bij maatregelen die verdere ontkalking tegengaan. Het bevorderen - al dan niet door aanplant - van boom- en struiksoorten met een snel verterend, ‘rijk' bladstrooisel kan in dit opzicht bijzonder nuttig zijn (zie natuurtype Zuur droog bos). In de duinbossen waar het soortenaantal achteruit is gegaan, komen voor deze bevordering vooral Iep (Ulmus sp.), Winterlinde (Tilia cordata) en Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) in aanmerking (zie ook onder ‘Herstelbeheer'). Dit heeft alleen zin in situaties met oppervlakkige bodemverzuring. Voorwaarde daarbij is dat het in de bodem wegzakkende verzuringsfront het bereik van de boomwortels nog niet gepasseerd is. Eik, beuk en naaldhout werken juist contra-productief. Linde en Eik kunnen op dezelfde bodems voorkomen, maar zorgen voor heel verschillende bosbodems.

Wanneer een bos ouder wordt, vormt zich een strooisellaag die van grote invloed is op de ontwikkeling van een bosbodem. Lindebomen zorgen voor een relatief snelle strooiselafbraak, waarbij de schimmelinvloed afneemt en de activiteiten van de kleine fauna zoals regenwormen toenemen. Dit is het zogenoemde ‘linde-effect'. Onder eiken heeft de bosbodem een zure humuslaag van zogenoemde mormoder die slecht verteert. Onder lindebomen ontstaat een milde humus, een mullmoder die een geschikte voedingsbodem is voor veel soorten. Waar lindebomen verschijnen in verzuringsgevoelige bossen verbetert de basenhuishouding stijgt de pH. De vestigingsmogelijkheden voor soorten die vooral groeien in de kruidlaag van oude bossen nemen dan sterk toe. Dat zijn soorten zoals Lelietje-van-Dalen (Convallaria majalis) en Wilde hyacint (Scilla non-scripta). Het strooisel van haagbeuk en berk heeft een vergelijkbaar gunstige, maar veel minder effectieve uitwerking. In hoeverre door middel van het ‘linde-effect' de ontkalking tot staan wordt gebracht, alleen vertraagd wordt of juist wordt teruggedraaid, verschilt van plek tot plek. De hoeveelheid basen die nog in de voor de boomwortels bereikbare ondergrond beschikbaar is, speelt hierbij een cruciale rol. Voordat tot dergelijke ingrepen in de boomsoortensamenstelling wordt overgegaan, dient zich de vraag aan of de aan te planten boomsoorten ooit in het natuurlijke duinbos voorkwamen.


Esdoorn: plaagsoort of reddende engel?
Veel bosbeheerders zijn opgegroeid met het idee dat de Esdoorn een verderfelijke exoot is in Nederland en zeker in de duinen. Die opvatting is echter onjuist. De Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) komt al duizenden jaren in ons land voor. Dat de soort in de kuststreek in de periode die aan de Middeleeuwen voorafging ontbrak, is vooral te wijten aan het feit dat de kustduinen in hun huidige vorm toen nog niet bestonden. De Gewone esdoorn hoort echter ecologisch gezien helemaal thuis in de boslandschappen van de binnenduinrand. De soort probeert daar uit alle macht de plek te bezetten die hem door de aanleggers van het eikenhakhout ontzegd is. Wie winning van eikenhout beoogde had goede redenen de esdoorns te bestrijden. In bepaalde duingebieden is overigens de Noordse esdoorn (Acer platanoides) vrijwel even talrijk als de Gewone esdoorn, en dat is wel degelijk een exoot. Ook in meer zeewaarts aangeplante bossen, tot in het middenduin en plaatselijk tot in het zeeduin kunnen beide esdoornsoorten zich massaal verjongen.

De Esdoorn verjongt zich plaatselijk zeer massaal en de jonge ‘staken'fase van een esdoornbos is botanisch en faunistisch minder interessant. Oudere esdoornbossen worden wel weer interessant, met een ondergroei van stinzenplanten, terwijl vrijstaande oude esdoorns een rijke epifytenflora kunnen hebben. Ook vanwege het optreden van de stakenfase is de soort bij duinbeheerders niet populair. Maar massale verjonging en een tijdelijke soortenarme stakenfase zijn geen exclusief Esdoorn-kenmerk. Het hoort eerder bij een normaal proces van opeenvolging van soorten in bossen waarbij een soort een gebied verovert waarin hij ecologisch thuishoort, maar om welke reden dan ook nog ontbrak. Het lijkt dan ook verstandig om op te houden met tegen deze stroom in te roeien: Esdoorn is geen bospest en grootschalige bestrijding ervan is niet nodig. Het is eerder zinvol om - bijvoorbeeld door selectieve dunningen - de soort meer geleidelijk een volwaardig onderdeel van het bos te laten worden, ook in de boomlaag. Deze aanpak heeft ook het voordeel dat ze helpt bij het tegengaan van verzuring en daarmee bij het behoud van biodiversiteit. Alleen in oud eikenbos of eikenhakhout waarin cultuurhistorische waarden voorop staan, is bij een opslag van Esdoorn tussen de eiken die de eiken overschaduwt een ‘zero-tolerance-beheer' met verdelging van elke Esdoorn te verdedigen (zie hierboven).

Met bijdragen van:
André Aptroot, augustus 2006; Patrick Hommel & Rein de Waal; april 2007

Literatuur:
Hommel, P.W.F.M. & R.W. de Waal. 2003. Boomsoort bepaalt bostype op verzurings­gevoelige bodem. Stratiotes 23: 3-19.

Hommel, P.W.F.M. & R.W. de Waal. 2003. Rijke bossen op arme bodems. Landschap 20: 193-204.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website