Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Haagbeuken- en essenbos (N14.03) / Bossen op oude klei en leembodem / Herstelbeheer

Bossen op oude klei en leembodem

Inhoud van deze pagina:

HERSTELBEHEER
Hakhout
De beuk eruit!
Spelen met licht
Strooisel harken?
Bosbegrazing
Niets doen is ook een optie
Hydrologisch herstel

Hakhout
Hervatting van het oude hakhoutbeheer brengt opnieuw – periodiek – licht in het bos, zorgt voor meer dynamiek op en in de bosbodem, en kan voorkomen dat oude hakhoutstoven door het gewicht van de stammen scheuren en afsterven. Idealiter zou men – zoals vroeger wel gebeurde – hier en daar minder vitale stoven willen uitgraven en vervangen door nieuwe aanplant, waarbij (veelal basenrijk) materiaal uit de ondergrond weer aan de oppervlakte komt te liggen. In de praktijk zal dit echter moeilijk te realiseren zijn, zeker op steile hellingen. Hakhoutbeheer is daar toch al bijzonder lastig en duur.
In grote boscomplexen zal het niet haalbaar zijn het gehele gebied weer in hakhoutbeheer te nemen. Waar dit wel gebeurt, is het goed om het beheer gefaseerd uit te voeren zodat steeds verschillende stadia van hergroei naast elkaar aanwezig zijn. In botanisch opzicht is de grootste winst te verwachten op de meest ondiepe kalkbodems (zie Kalkhellingbos), maar het is toch aan te bevelen het hakhoutbeheer te spreiden over de verschillende groeiplaatstypen. Deze hebben namelijk elk hun specifieke hakhout en bosrandsoorten. Voor hellingbossen betekent dit dat het hakhoutbeheer – al is het maar ten dele – gespreid wordt over alle hellingzones.

De beuk eruit!
Hierboven hebben wij al een paar keer gewezen op het belang van boomsoorten met goed verterend bladstrooisel en de nadelen van dominantie van soorten met slecht afbreekbaar strooisel. Binnen de laatste categorie moet wel enig onderscheid gemaakt worden. Eik is altijd een vast onderdeel geweest van zowel de hakhoutbossen op de leemgronden als hun natuurlijke voorgangers (gemengde Eiken-Lindebossen). In gemengde loofbossen op leem vergroten de eiken de variatie in milieuomstandigheden op de bosbodem en ze vertonen nergens de neiging tot dominantie. Bij nietsdoenbeheer dreigen ze zelfs uit het systeem te verdwijnen. Bij Beuk ligt dit anders, althans op de meest zure en voedselarme leemgronden. Beuken leveren hier weinig voordelen in termen van biodiversiteit, maar het strooisel is bij extensief beheer een risicofactor.

Spelen met licht
Waar hervatting van het hakhoutbeheer om welke reden dan ook geen optie is, is het toch aan te bevelen plaatselijk meer licht in het bos te brengen. Verbreding van bospaden is één mogelijkheid (zie hieronder ‘Bermen van bospaden’ onder Inrichting). Ook het her en der creëren van (tijdelijke) open plekken is een optie. Eventueel kan dit gecombineerd worden met groepenkap. Waar in dat geval het evenwicht ligt tussen natuurbeheer en houtopbrengst is aan de beheerder om te bepalen. Het verdient hoe dan ook aanbeveling om ook dit beheer over de verschillende groeiplaatsen c.q. hoogtezones te spreiden.

Strooisel harken?
Waar onder invloed van een ongunstige strooiselkwaliteit en langdurig nietsdoenbeheer sprake is van (ongewenste) strooiselophoping, zou plaatselijke verwijdering nuttig kunnen zijn. Hiermee is echter nog nauwelijks ervaring opgedaan. Het harken van strooisel is ook niet altijd nodig. Men verwacht dat – op leemgronden – de bodemfauna het strooisel zal kunnen verwerken bij combinatie van twee maatregelen

De bodemfauna zal dan het strooisel op de bodem onder kunnen werken, kunnen vermengen met de minerale bovengrond en omzetten in stabiele humus (omzetting van (mor)moder in mull). Alleen op de meest zure en voedselarme leemgronden zou men kunnen experimenteren met kleinschalige ‘strooiselroof’ om zo stepping stones te creëren voor de terugkerende bosplanten.

Bosbegrazing
Bosbegrazing als maatregel is riskant in (eertijds) soortenrijke bossen op leemgronden, zeker als het kleine bosgebieden betreft (en dat is vaak het geval). De ondergroei bestaat veelal uit een kleinschalig mozaïek en is kwetsbaar, o.a. voor vertrapping en vermesting. Een deel van het risico is bovendien dat bij bosbegrazing jonge individuen van gewenste boom- en struiksoorten (soorten met goed verterend bladstrooisel o.a. Linde, Es, Hazelaar) bij voorkeur worden weggevreten. Verjonging van eik, beuk of zelfs naaldhout – en daarmee de ontwikkeling op termijn van Carpinion naar Quercion – wordt zo indirect bevorderd, hetgeen ook vanuit oogpunt van soortendiversiteit niet wenselijk is.
Er is mogelijk een uitzondering. Er is wel geopperd dat kortstondige drukbegrazing met schapen gedurende het winterhalfjaar nuttig zou kunnen zijn bij het openbreken van door één soort gedomineerde tapijten. Van arm naar rijk kan het dan gaan om braam, klimop en bosbingelkruid. Van hellingbossen is bekend dat dit ook vroeger – illegaal – af en toe gebeurde. Als beheermaatregel is hier echter nog nauwelijks mee geëxperimenteerd.

Niets doen is ook een optie
In het voorafgaande is herhaaldelijk opgemerkt dat de overgang van een intensief hakhoutbeheer naar een decennia lang nietsdoenbeheer voor veel bosplanten (en dieren!) slecht heeft uitgepakt. Toch is het waardevol op een deel van het bosareaal op leemgronden – en opnieuw gespreid over de verschillende groeiplaatsen – te mikken op een langdurige ongestoorde ontwikkeling. Dit zal namelijk ook (deels nieuwe) waarden opleveren. Vleermuizen, spechten en andere holtebroeders zullen profiteren van een groter aandeel oudere en aftakelende bomen. Daarnaast zullen diverse dood-hout-specialisten onder de mossen en paddenstoelen kansen krijgen, en zullen meerdere soortgroepen ervan profiteren als bij windworp – relatief basenrijk - bodemmateriaal uit de ondergrond aan de oppervlakte komt te liggen. De effecten zullen het snelst zichtbaar zijn op gronden die ondiep bewortelbaar zijn: vuursteeneluvium, dunne lösspakketten op mergel en gronden met een hoge (schijn)grondwaterspiegel. Daarbij geldt dat kansrijke plekken vooral gezocht moeten worden op plekken waar de boomlaag al enige variatie in de leeftijdsopbouw vertoont.

Hydrologisch herstel
Bossen op keileemgronden en oude rivierlemen worden doorgaans gevoed door lokale, in principe min of meer geïsoleerde hydrologische systemen. Deze kunnen verstoord zijn door begreppeling (rabatten) of door verbinding met beeklopen, doorgaans met sterk vervuild oppervlakte water. Herstel van het hydrologische systeem door respectievelijk het dichten van greppels en isolatie is hier erg belangrijk en veelal goed mogelijk. Het dichten van greppels kan het best zeer geleidelijk worden uitgevoerd, zodat soorten de gelegenheid krijgen om zich langs de veranderende vochtgradiënt op een nieuwe standplaats te vestigen. Herstel van de isolatie dient zo snel mogelijk te worden uitgevoerd.
Ook herstel van de hydrologie van de grote inzijggebieden die de bronzones van hellingbossen voeden is erg belangrijk, maar ligt vaak buiten de macht van de beheerder. Er is een uitzondering. Vaak worden de bovenlopen van bronbeken vlak onder de plateaurand sterk vervuild vanuit de bovenliggende landbouwgebieden en tevens gebruikt als illegale vuilstort. Het tegengaan hiervan is een kwestie van inrichting (bufferzones, afrasteren), maar vooral van controle.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website