Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Haagbeuken- en essenbos (N14.03) / Bossen op oude klei en leembodem / Bedreigingen

Bossen op oude klei en leembodem

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Kwetsbare randen
Verdroging en vermesting van bronnen
Het wordt donker in het bos
Strooiselophoping
Verbeuking

Kwetsbare randen
Het grootste deel van onze bossen op leemgronden ligt op steile hellingen. Aan de bovenkant grenzen deze hellingbossen meestal aan uitgestrekte lössplateaus, aan de onderkant aan de vlakkere delen van een beek- of droogdal. Zowel de plateaus als de dalbodems zijn in intensief landbouwkundig gebruik. Door het afspoelen van meststoffen zijn vooral de bovenranden kwetsbaar. En daar ligt nu juist de zone met bodems met een relatief gering vermogen om voedingstoffen in te bouwen in stabiele humus; zij zijn het meest gevoelig voor vermesting. Ook is deze zone bij een ongunstige boomsoortsamenstelling het meest gevoelig voor verzuring van de bovengronden onder invloed van strooiselophoping (zie verderop: Strooiselophoping).

Verdroging en vermesting van bronnen
Versnelde afvoer van hemelwater – via het riool in dorpen en langs wegen op de plateaus – heeft een verdrogende invloed op de bronzones op de hellingen. Ook de drainage van het vliegveld op het Centraal Plateau onder Beek heeft een verdrogende werking op de naburige hellingbossen. Hetzelfde geldt uiteraard voor waterwinning. In het algemeen geldt dat hoe hoger op de helling een bronniveau ligt, des te gevoeliger het is voor verdroging. Een zelfde vuistregel kan worden gehanteerd voor de eutrofiëring van bronnen door infiltratie van voedselrijk landbouwwater. Dit is zeer goed zichtbaar in hellingbossen als het Kloosterbos boven Houthem, waar verschillende bronniveaus boven elkaar liggen.
Voor de leembossen op keileem en rivierlemen geldt in het algemeen dat het in hydrologisch opzicht min of meer geïsoleerde systemen zijn. Dit maakt dat ze anders dan de hellingbronnen van het heuvelland minder gevoelig zijn voor grootschalige hydrologische ingrepen in de wijdere omgeving. Verdroging is hier meer gekoppeld aan lokale ingrepen zoals begreppeling (rabatten). Eutrofiëring speelt alleen een rol als de natte laagten met kei- of rivierleem grenzen aan beekdalsystemen en er (incidenteel) sprake is van instroom van door de landbouw geëutrofieerd beekwater.

Het wordt donker in het bos
De bossen op leemgronden werden van oudsher intensief beheerd als hakhout (op de keileem en de rivierlemen) of als middenbos, dat wil zeggen als hakhout met overstaanders. De afgelopen decennia – en in de hellingbossen al vanaf de Tweede Wereldoorlog – werd echter vooral een ‘nietsdoen’-beheer gevoerd. Dit heeft belangrijke gevolgen gehad. Oude hakhoutstoven bezwijken op den duur onder het gewicht van de te zwaar geworden stammen. Een negatief effect dat op kortere termijn speelt, is dat de dynamiek – in de vorm van periodieke bodemverwonding en lichtstelling – sterk afneemt. Mantel- en zoomsoorten die vroeger onderdeel van het bossysteem waren verdwijnen daardoor geleidelijk uit de boskernen. Ze zijn daardoor voor hun voortbestaan volledig aangewezen op de bosranden, een omgeving die veel meer dan vroeger bloot staat aan de vermestende invloeden vanuit de aangrenzende landbouwgronden.

Strooiselophoping
Een derde effect van het ‘nietsdoen’-beheer waarbij in plaats van een open bos (al dan niet met overstaanders) een opgaand gesloten bos ontstaat, is een verhoging van de strooiselproductie in combinatie met een tragere strooiselafbraak. Vooral op de zuurdere leemgronden en onder boomsoorten die toch al gekenmerkt worden door een trage afbraak van bladstrooisel (eik, beuk) kan dit leiden tot bovengrondse stapeling van bladstrooisel. Dit is een proces dat zichzelf versterkt: humuszuren uit het halfverteerde strooisel veroorzaken verzuring en verarming van de bovengrond, waardoor de activiteit van de bodemfauna afneemt en de strooiselvertering verder vertraagt. Het zichtbare gevolg hiervan is en verlies aan soortendiversiteit doordat rijke bostypen plaatsmaken voor arme (respectievelijk Carpinion en Quercion).

Verbeuking
In de vegetatiekunde wordt al decennia lang gediscussieerd over de vraag welk bostype bij langdurige ongestoorde ontwikkeling op onze leemgronden zal ontstaan. Is het sterk door de mens beïnvloede Eiken-Haagbeukenbos tevens de climaxvegetatie of zal – net als op de lemige zandgronden het geval is – de beuk uiteindelijk de strijd winnen? Terwijl in wetenschappelijke kringen het dispuut tussen beukenfans en aanhangers van de Eiken-Haagbeuk-leer voortduurt, lijkt buiten in het bos moeder natuur al een beslissing te hebben genomen. De absolute winnaars, althans op de wat rijke leemgronden, zijn noch eik of haagbeuk, noch beuk, maar es en esdoorn. Dit zijn soorten met een goed verterend bladstrooisel, waardoor het Carpinion-karakter van de ondergroei waarschijnlijk behouden zal blijven, al zullen er op termijn zeker veranderingen gaan optreden. Toename van beuk zien wij alleen gebeuren op de wat armere en zuurdere leemgronden Dit leidt tot prachtige hoogopgaande ‘hallenbossen’, waarvan de botanische waarde overigens zeer beperkt is. Op de rijke leemgronden lijkt de beuk vooralsnog geen voet tussen de deur te krijgen, ook niet waar in het verleden beuken zijn aangeplant, bijvoorbeeld langs bospaden.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website