Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Haagbeuken- en essenbos (N14.03) / Kalkhellingbos / Bedreigingen

Kalkhellingbos

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Het bos wordt steeds donkerder
Rust roest
Meer strooisel, meer nutriënten
Versnippering is groeiend probleem

Het bos wordt steeds donkerder
Zoals hierboven al is aangestipt, zijn de meeste hellingbossen op ondiepe kalkbodem tot 50 à 60 jaar geleden beheerd als middenbos. Hierbij werden regelmatig de struiklaag en de lage boomlaag verwijderd in kapcycli van respectievelijk 3 à 4 en circa 10 jaar. Het gevolg was een in de tijd zeer variabel lichtklimaat en frequent optredende kapvlaktestadia. Door het beëindigen van deze beheervorm ontstond gaandeweg een gesloten boomlaag en werd het bos permanent donker. Dat werd nog extra bevorderd door het toenemend aandeel van esdoorn in het bos. Soorten die specifiek aan het kapvlaktestadium gebonden zijn, waaronder ook de kenmerkende dagvlinders, verdwenen al na korte tijd. Maar voor veel soorten die wij nu als kenmerkend voor het kalkhellingbos beschouwen, waaronder de meeste hierboven genoemde orchideeën, geldt iets dergelijks: het zijn in feite na-ijlende lichtminnaars die uiteindelijk geleidelijk uit het bos zullen verdwijnen.

Rust roest
Een tweede gevolg van het beëindigen van het aloude middenbosbeheer is het drastisch verminderen van de dynamiek. Hierbij speelt niet alleen de variatie de tijd van het lichtklimaat een rol. Het middenbosbeheer ging ook gepaard met bijzonder veel bodemroering:

Al dit geploeter op vaak steile hellingen veroorzaakte bodemerosie waardoor steeds weer vers kalkrijk bodemmateriaal aan de oppervlakte kon komen. Toen het middenbosbeheer ophield ontstonden dergelijke nieuwe kalkrijke plekjes niet meer. Dit betekende een serieuze beperking voor soorten die van zulke plekjes in het bos afhankelijk zijn. Daar kwam nog bij dat processen als humusopbouw, uitspoeling en (natuurlijke) bodemverzuring relatief belangrijker werden – evenmin goed voor kalkflora.

Meer strooisel, meer nutriënten
Ophouden met rommelen is nr 1, eikenstrooisel nr 2.
Het zeer intensieve middenbosbeheer onttrok voortdurend voedingsstoffen aan het bosecosysteem. Verschraling en zelfs bodemdegradatie was het gevolg. Beëindiging van dit beheer betekende enerzijds een geleidelijk herstel van de natuurlijke bodemvruchtbaarheid door de verhoogde toevoer van bladstrooisel en de inbouw van nutriënten uit dit strooisel in stabiele humus. Anderzijds betekende dit herstel ook een bedreiging voor de aan de verschraalde bodem aangepaste plantensoorten en de bijbehorende fauna. De verhoogde toevoer van bladstrooisel onder boomsoorten met slecht afbreekbaar strooisel (zoals eik, een van de belangrijkste overstaanders in het oude middenbos) vormt een extra risico voor de gevoelige ‘kalksoorten’: vertraagde strooiselafbraak betekent meer oppervlakkige bodemverzuring, vooral op plekken waar meer van zulke bomen bij elkaar staan.
Atmosferische depositie van stikstof zal de verrijking en verzuring van de bosbodem ongetwijfeld nog hebben bevorderd, direct maar ook indirect door verdere vergroting van het strooiselaanbod. Achteruitgang van kalkgebonden organismen en bevordering van ruigtesoorten was het gevolg. Dat kan nog eens zijn versterkt door het inwaaien en inspoelen van meststoffen in de bovenrand van de hellingbossen gevolgd door neerwaartse verplaatsing van strooisel en bovengronden. De betekenis van stikstofdepositie op ondiepe kalkbodem – hetzij vanuit de atmosfeer, hetzij door hellingprocessen – is echter minder ingrijpend dan op neutrale of zure bosbodems. Dit heeft drie redenen. Fosfaat bindt zich sterk aan kalk en op zeer kalkrijke bodems zal het fosfaatgehalte daarom al snel de beperkende factor voor de plantengroei zijn. Bovendien gaat kalk robuuste verbindingen aan met organische stof, met als gevolg dat de daarin vastgelegde voedingsstoffen moeilijker beschikbaar komen voor de meeste plantensoorten. En tenslotte lijkt te gelden dat hoe minder zuur de bodem is, des sterker de stikstofvastlegging door het microbiële bodemleven waardoor minder stikstof beschikbaar is voor de vegetatie (stikstofimmobilisatie).

Versnippering is groeiend probleem
Het grootste deel van de Zuid-Limburgse hellingbossen bestaat uit oud bos waarvan de omgrenzing in de afgelopen eeuwen niet erg sterk is veranderd. In feite is de oppervlakte hellingbos in de afgelopen eeuw zelfs iets toegenomen door bosontwikkeling op voormalige kalkgraslanden. De huidige versnippering van het areaal bestaat dus al vele eeuwen. Toch is isolatie voor hellingbossoorten tegenwoordig een belangrijker knelpunt dan enige decennia geleden. Dit heeft twee redenen. In de eerste plaats is er sprake van kwaliteitsverlies in de bossen zelf, waardoor na het lokaal uitsterven van een soort, hervestiging vanuit naburige bossen veelal lastiger is dan voorheen omdat de afstand tot de dichtstbijzijnde bronpopulatie gemiddeld groter is geworden. Daarnaast hindert het veel intensievere landgebruik op de tussenliggende landbouwgronden de verspreiding van bossoorten meer dan voorheen. Het belangrijkste probleem is echter dat veel lijnvormige landschapselementen – zoals holle wegen en graften die vroeger een begroeiing hadden van bomen en struiken – zijn verdwenen of in waarde achteruit zijn gegaan.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website