Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) / Broekbos / Inrichting

Broekbos

Inhoud van deze pagina:

INRICHTING
Voorkom betreding van bronmilieus
Hydrologie bepaalt mogelijkheden voor nieuw broekbos
Met bijdragen van
Literatuur

Voorkom betreding van bronmilieus
Broekbossen zijn kwetsbaar voor betreding. Ze zijn door hun natte en vaak slappe bodem echter ook onaantrekkelijk om in te wandelen. In de zomer verhogen de grote aantallen muggen de aantrekkelijkheid voor de gemiddelde recreant evenmin. Vaak zijn broekbossen voor recreanten alleen toegankelijk via paden die over walletjes of vlonders lopen. Schade door betreding is dan meestal gering. Een belangrijke uitzondering vormen de broekbossen van bronmilieus op hellingen. Deze zijn erg kwetsbaar voor betreding, beslaan kleine oppervlakten en zijn vaak relatief goed bereikbaar. Aandacht voor het tegengaan van betreding is daarom geboden. De kwelplekken in de beekdalen zelf zijn vaak zeer nat en ontoegankelijk en daardoor goed beschermd tegen betreding.
In de meeste broekbossen voorkomt een gerichte recreatiezonering en -regulering verstoring door recreanten al op doeltreffende wijze.

Hydrologie bepaalt mogelijkheden voor nieuw broekbos
De juiste hydrologische condities zijn niet alleen bepalend voor een goede ontwikkeling van bestaand broekbos, maar ook voor de ontstaansmogelijkheden van nieuwe broekbossen. Realisatie van nieuwe broekbossen in natte beekdalgedeelten en in bronmilieus is goed mogelijk. Wel gelden hiervoor dezelfde complexe ecohydrologische omstandigheden als bij herstelbeheer. In het kader van natuurontwikkeling kan broekbos in beekdalen een goede afwisseling vormen van natte graslanden, moerassen en beekbegeleidende bostypen van iets minder natte omstandigheden (Vogelkers-Essenbos), en daarmee bijdragen aan herstel van een kenmerkend halfnatuurlijk beekdallandschap.
Veel van de voor broekbos kenmerkende moerasplanten zullen zich naar verwachting spontaan vestigen. Zwarte elzen vestigen zich na het afgraven van de toplaag vaak massaal vanuit zaadbronnen uit de omgeving. Voor soorten van bronmilieus is spontane vestiging minder zeker; de zogenoemde ‘oud-bossoorten' zijn in hun voorkomen nagenoeg beperkt tot bosmilieus en verbreiden zich uiterst traag door het landschap. Aanwezigheid van een goed ontwikkelde bronvegetatie in de omgeving verhoogt de kans op ontwikkeling van een soortenrijke begroeiing in nieuw broekbos aanzienlijk.

Met bijdragen van:
Robbert Wolf, augustus.2006; Patrick Hommel & Rein de Waal, april.2007.

Literatuur:
Stortelder, A.H.F., P.W.F.M. Hommel, R.W. de Waal, K.W. van Dort, J.G. Vrielink & R.J.A.M. Wolf 1998. Broekbossen, Bosecosystemen van Nederland deel 1. KNNV, Utrecht. 

Stortelder, A.H.F., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel 1999. De Vegetatie van Nederland 5, ruigten, struwelen, bossen. Opulus, Uppsala.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website